HET WASSENDE WATER
Na de oorlog heeft Prof. Ir. W. Schermerhorn op verzoek van de drie heren een Rapport uitgebracht, dat onder de titel De Nederlandse Unie en haar Driemanschap in 1946 verscheen.
Op pagina 41 en 42 wordt daarin de joodse kwestie aan de orde gesteld en wel in de volgende formuleringen, die - volstrekt afdoende - de gehele inhoud en bedoeling van ons boek ongewild illustreren:
‘De Unie maakte, zooals trouwens niet anders te verwachten was, geen onderscheid tusschen Joden en Ariërs; zij telde vele Joden onder haar leden, wat haar de noodige schimpscheuten van den kant van de N.S.B., Nationaal Front en de Duitsche Pers bezorgde. Toen de bezettende macht den eersten maatregel tegen de Joden (verbod van aanstelling of bevordering in ambtelijke functies) uitvaardigde, verscheen daarover aanstonds een artikel in (De Unie’ (No. 8, blz. 3, 'Een openhartig woord. Het Driemanschap over de Joden in Nederland’), waarin, zij het in zeer gematigden vorm, critiek op het trouwens nog slechts op bescheiden schaal in toepassing gebrachte beginsel van de discriminatie der Joden werd uitgeoefend. Het Driemanschap durfde - en niet voor de eerste maal - de pen op te nemen, terwijl nagenoeg de geheele Nederlandsche pers zweeg. De Duitschers waren zeer verbolgen over deze daad van euvelen moed, vele Nederlanders daarentegen vonden het artikel veel te slap. Had het Driemanschap beter gedaan, te zwijgen, of, als het dat niet wilde, een scherp artikel te schrijven met het nagenoeg zekere gevolg, de Nederlandsche Unie aanstonds ontbonden te zien? Het is voor stuurlui aan den wal altijd moeilijk zich te verplaatsen in de positie van den kapitein op de brug, die in nood de verschillende meest kwade kansen wegende, snel een besluit moet nemen. Naar het oordeel onzer Commissie verdient het Driemanschap lof voor den moed, waarmede tegen de eerste officieele jodendiscriminatie openlijk stelling werd genomen.
Veel critiek lokte, vooral achteraf, het besluit van het Driemanschap uit om het in het voorjaar 1941 geschapen instituut van de z.g. werkende leden, die vanzelf bijzonder op den voorgrond zouden treden, niet voor Joden open te stellen; men had dien maatregel niet in de laatste plaats in het belang van de Joden zelf getroffen en had daarbij voortgebouwd op de reeds eerder aangenomen gedragslijn om Joodsche leden ondershands aan te raden, bij het werk van de Unie eenigszins
189