EPILOOG
Welke kniesoor denkt er nu nog aan dit decennium vóór de oorlog. Aan Colijn, aan De Quay, aan Cohen, maar ook aan al die anderen, die geen haar beter waren. Maar soms handiger, intelligenter en niet zo ijdel. Die, soms ook zionist, net principieel genoeg waren en tijdig afstand namen van de radicalen. In 1940 bleken zij aanvankelijk bereid met Cohen mee te gaan, onder voorbehoud. Maar ze distanciëer-den zich op tijd van hem. Niet helemaal natuurlijk. Dat doen dezulken nooit. Ze houden altijd een slag om de arm. Je kunt nooit weten. Maar ze hadden hun voorzorgsmaatregelen op tijd genomen.
Gesperrt als ze waren door de Joodse Raad, door de Barneveldlijst, door de Palestinalijst. En waarom ook niet. Wie deed niet moeite met vrouw en kinderen uit die hel te voorschijn te komen. Hoeveel procent lukte het. Je moest wel stevig in de lijsten zitten.
Bleef er dan nog adem over voor ethiek en recht - voor wijsbegeerte of adagia over 'borg zijn als jood voor een andere jood’. De genius van het oude volk maakte geen grapjes meer. Of je nou assimilatorisch orthodox was of liberaal zionist dan wel gewoon maar posjet mens, hier werd een daad gevraagd voor ‘geheel Israël tezamen .. .’
Wat kwam daarvan terecht? Wij allen hebben ons eigen hachie proberen te redden. Om het in de stijl van de Widdoej ( = belijdenis) van de Grote Verzoendag te formuleren: ‘Neen waarlijk! Wij hebben gezondigd, ons schuldig gemaakt, trouweloos gehandeld . ..’
Wij hebben ze laten gaan de proletariërs van het eerste uur. En als we niet oppassen, denken we, dat alleen Asscher en Cohen het hebben gedaan.
Wij - de Nederlandse joden - hebben joods over alle linies gefaald. Die paar uitzonderingen, die het stempel van Asscher en Cohen prin-cipiëel en definitief hebben geweigerd (en die niet anderszins door gemengd huwelijk b.v. beveiligd waren!) uitgezonderd. En tevens
191