HOGE HOEDEN / LAGE STANDAARDEN
Een gezonde christelijke levensleer en maatschappij-opvatting keert zich niet alleen in de middeleeuwen, maar óók tegenwoordig tegen het binnendringen van niet-christelijken, joodschen geest op alle gebieden van het leven.
‘De houding van den Christen tegenover den Jood zij zoowel een rechtvaardige als een liefdevolle. De Christen streve er naar, den Jood recht te doen wedervaren, maar hij zie er uit sentimentaliteit niet tegen op, diens vrijheden, indien noodig, te beperken. Ook houde hij zichzelf en de zijnen vrij van Joodschen geest en ruime de dwaze zelfbeschuldiging op, dat slechts eigen boosaardigheid en nooit joodsche schuld aanleiding heeft gegeven tot de moeilijkheden tusschen hem en den Jood. Hij zij in de behandeling van het joodsche vraagstuk oprecht en eerlijk en vreeze niet, ook eigen fouten te erkennen. Maar bovenal beoefene hij de liefde, die het vaak bittere en scherpe recht verzacht en aanvult, maar die hem vooral drijven moet voor den Jood te bidden en hem te helpen zijn eeuwige eindbestemming te bereiken.’
Dat deze priester zich tenslotte nog occupeert met de ingewikkelde oplossing van dit netelige vraagstuk, stemt ons mild tegenover een curieuze jodenvijand, die zich zeldzaam openhartig heeft uitgesproken over het volk, waaruit eenmaal zijn Christus werd geboren. Jezus Christus, die door Van der Ploeg zelfs wordt ingelijfd in de keurtroepen der antisemieten. Wij denken bij de man uit Nazareth aan liefde, die neergelegd werd in overbekende teksten uit het Nieuwe Testament, zoals in de Bergrede.
Van der Ploeg vindt, dat men zulke teksten niet al te letterlijk moet opvatten. Hij schrijft (pag. 135): ‘Jezus bedoelde, dat men zelfs tot heldhaftige daden van naastenliefde en vergiffenis schenken aan vijanden bereid moet zijn; hij sloot echter in het geheel niet uit, dat men zich tegenover een ander niet op zijn recht mag beroepen, zeker niet, dat men werkeloos moet toezien wanneer anderen (Van der Ploeg bedoelt kennelijk: door Joden) onrecht wordt aangedaan of schade toegebracht, en allerminst, dat de leiders en bestuurders van volkeren en gemeenschappen niet vóór alles er naar moeten streven aan allen recht te doen op gelijke wijze. Het joodsche vraagstuk raakt de goede orde in de maatschappij, men móet dus pogen het op te lossen en mag
186