HET WASSENDE WATER
niet werkeloos toezien tot de bekeering der Joden bij de nadering van den jongsten dag.’
En hij eindigt: ‘Het is van belang, zoowel voor Jood als voor niet-Jood, een regeling te treffen vóór het te laat is. Laat men antisemitisme en Jodenhaat vrij voortwoekeren, dan komt het tot uitbarstingen waarvan de Jood het slachtoffer wordt en die de Jodenvervolgers onteeren. Een rechtvaardige en tijdige regeling kan dit verhoeden en is daarom in het welbegrepen belang van beide partijen.’
Jammer dat het christelijke Europa zich die liefdevolle les van meneer Van der Ploeg niet tijdig ter harte heeft genomen.
Niet zo geheel anders klinkt het geluid van De Nederlandsche Unie, wier befaamd driemanschap L. Einthoven, J. Linthorst Homan en J. E. de Quay in het volgende artikel (ontleend aan De Unie, No. 8) de eerste maatregelen van de bezetter aldus commentariëert:
‘een openhartig woord
Het Driemanschap over de Joden in Nederland
In Nederlandsche ambtelijke functies mogen krachtens verordening geen joden of halfjoden meer worden aangesteld noch bevorderd.
Het is bekend, dat De Nederlandsche Unie vanaf hare oprichting zich op het standpunt heeft geplaatst, dat een regeling noodzakelijk was voor het vraagstuk der naar Nederland uitgeweken Joden uit andere landen, doch dat eenige verandering in de sinds onheuglijke tijden door het Nederlandsche volk aangenomen houding tegenover de joden, die sinds geslachten in Nederland wonen en werken, onnoodig en on-gewenscht is.
Onnoodig, omdat in Nederland de joden niet de positie innemen en ook niet de houding aannemen, welke in andere landen het jodenvraagstuk acuut hebben gemaakt. Van overwoekering of van met onzen volksaard strijdige beïnvloeding van het leven van het Nederlandsche volk door hier levende joden, was en is in het algemeen geen sprake.
Ongewenscht, omdat onze Christelijke verdraagzaamheid en recht-
187