HET WASSENDE WATER
up’, dat is al helemaal ‘Amerika’. En die jonge kerel daar links? Zal die aanstonds het geweer opnemen om Europa ‘safe’ te maken voor de cultuur van joodse filmmagnaten, kauwgumfabrikanten en wolkekrab-berarchitecten en zal hij tégen zijn eigen bloed gaan vechten?’ Verantwoordelijk redacteur was S. J. van der Molen te Groningen, zo meldde het colophon.
‘Door bijdragen aan de stichting ‘Saxo-Frisia’ wordt blijk gegeven van een nationaal-socialistische gezindheid/ zo vonniste het Asser tribunaal op 9 februari 1946. S. J. van der Molen werd bestraft met 12 jaar ontzegging uit beide kiesrechten en werd, blijkens de Heerenveen-se Koerier van 31 oktober 1945, door de Ereraad voor de Letterkunde, tot 1 januari 1951 Van publicatie en openbaar optreden’ uitgesloten i.v.m. zijn ‘onvaderlandsche houding, gedurende de bezetting aangenomen’. Een kwart eeuw later werd hem door een driekoppige jury, bestaande uit lieden met stuk voor stuk een brandschoon verleden, een der belangrijkste culturele prijzen van Friesland toegekend voor het werk waarvan een deel eens door de nazi’s werd gebruikt om hun Blut und Boden-theorieën te schragen. S. J. van der Molen is nu eindelijk gerehabiliteerd.’
Het gaat ons echter niet om S. J. van der Molen en de zijnen. Maar om de anderen, die het ook waren. En die niet behoorden tot de N.S.B. en aanverwante organisaties. Zoals ene meneer P. Kloppers die reeds in 1930 in no. 2151 van ‘Handelsbelangen’ het antisemitisme als dwaasheid aan de kaak wilde stellen en die - al bestrijdende - tot de volgende conclusie kwam:
‘Als wij het anti-semitisme behalve een boomerang en een sta-in-den-weg voor ’s werelds welvaart, ook een begrijpelijke dwaasheid noemen, begeven wij ons op gevaarlijk terrein. Het adjectief ‘begrijpelijk’ toch, houdt in dat de Joden het er wel naar maken dat zij vijanden krijgen en als wij dit beweren, loopen wij de kans van veel verontwaardigd protest. Wij willen die kans loopen, en staande houden dat anti-semi-tische opwellingen vaak het gevolg zijn van het optreden der Joden zelven. De Joden zijn ongetwijfeld de zondebokken, waarop alles wordt afgewenteld, hun uiterlijk, hun godsdienst, hun familieleven enz. maakt hen onder alle andere volken herkenbaar, als van verre gekomen, en met de tragische rol van zondebokken hebben zij zich,
175