HOGE HOEDEN / LAGE STANDAARDEN
dat (blijkens een artikel van Dr. H. Riemens in de Haarlemse Courant) die Weesperstraat ooit zou hebben gekenmerkt, viel niets te bespeuren. Wel allerminst in de kale ruimten met hun zuinige bedden, waar de ‘doortrekkenden’ uit het niet zo verre Oosten mochten dromen over het verre Westen. Maar niet al te lang! Want ze moesten ‘door’.
Een woordje, dat later in Westerbork daemonische betekenis zou krijgen.
Ook gedurende de jaren van wereldoorlog I kwamen van tijd tot tijd groepjes Oostjoden (bijvoorbeeld via België) ‘ons’ land binnen. Zoals eenmaal - omstreeks 1600! Maar daarover spraken de historici minder dan over de emancipatie. Nog minder dachten daaraan de Kerkbestuur-deren op het Meijerplein, die de subsidie-aanvrage van Hachnasat Ore-chiem afwezen omdat volgens het officiële reglement het steunen van Joodse Vreemdelingen niet op de weg lag van de Amsterdamse Joodse Gemeente.
Dat geschiedde op de kortste dag van het jaar 1916. En het lag in de lijn. Oostjoden waren en bleven tot 1940 taboe. Het begrip ‘pollek’ bleef een affectief beladen woord, ook en juist op het Nederlandse Seminarium van de uit Krakau stammende Dünner.
De volgende close up is ontleend aan Tikwath Jisraëel en dateert uit 1939.
‘baarden
In een stadje in Zuid-Nederland woont een Jood. Die Jood is de parnes van een onaanzienlijke kille. Hij is ook de vriend van de burgemeester. En dat legt verplichtingen op. Zeker in een tijd als deze, waarin men het moet vermijden risjes te maken. In Polen wonen ook Joden. Die Joden zijn geen vrienden van burgemeesters. En daarom worden ze opgejaagd, door de landen heen. Die Joden dragen het noodlot van hun volk in hun uiterlijke verschijning mee. En bovendien, zij dragen baarden.
En de parnes van het Nederlandse grensplaatsje, die een vriend is van de burgemeester, vindt, dat deze baarden een gevaar opleveren voor de positie der Joden in het gebied, waar hij zich grenswachter waant.
En daarom heeft de parnes zijn vriend de burgemeester verzocht de
150