ONGEWENSTE VREEMDELINGEN
Op 21 december 1916 - het was midden in de eerste wereldoorlog -kwam bij het Kerkbestuur der Joodse Gemeente (de zogeheten Ne-derlands-Israëlietische Hoofdsynagoge) te Amsterdam een aanvraag tot subsidie binnen vanwege de vereniging Hachnasat Orechim. Elders hebben wij toegelicht wat onder deze organisatie tot steun aan vluchtelingen moet worden verstaan. Haar geschiedenis brengt ons terug naar de Russische pogroms uit de jaren tachtig. Wij schreven (in een opstel over Anne Frank, opgenomen in 'Waar wij ballingen zijn, essays over joodse letterkundigen, Nijgh en Van Ditmar, 1968, pag. 169):
‘Drie maal na hun emancipatie in 1796 werd het geïsoleerde Nederlandse jodendom bijna wakker geschud. Na de Russische pogroms der jaren tachtig, na die van Kisjenew aan het begin van onze eeuw en na het optreden van Adolf Hitler. Bijna! Want het joodse isolement bleek in dit land te sterk - te zelfverzekerd het gegroeide bewustzijn, dat een Nederlandse jood anders was dan de jood. Anders bovenal dan de Duitse rasgenoot, die de Nederlandse Israëlieten irriteerde door alle specifieke componenten, die blijkbaar prevaleerden boven joodse saamhorigheid.
De Nederlandse joden bleven ook in dit opzicht zichzelf. Is het niet curieus, dat de na de pogroms opgerichte organisatie tot steun aan de slachtoffers de naam droeg van ‘Hachnasat Orechiem’, een begrip uit de joodse ethiek, dat zich dekt met ons woord gastvrijheid, doch dat veiligheidshalve werd verdietst tot ‘Steun aan doortrekkenden*.
Ik was nog wel eens in het bedompte opvangcentrum in de Weesper-straat, niet ver van het Jonas Daniël Meijerplein. Er groeide daar destijds nog niet het gras van Meijer Sluijser en van het Rembrandtieke
149