BATAVIEREN EN BOTERKOEK
met de assimilatorische gezindheid, waarvan ze dag aan dag in woord en daad doet blijken?
De oplossing van dit raadsel wordt gevonden in de methode van interpretatie. In wezen heeft de neo-orthodoxie het standpunt van de reform aanvaard.
Maar terwijl de laatste de teksten heeft geschrapt en gewijzigd, heeft de eerste de verklaring en soms de vertaling gewijzigd. Ten einde dit nader toe te lichten, merken we op, dat gebeden, waarin vragen om goederen gesteld worden, van tweeërlei aard kunnen zijn: de gevraagde goederen kunnen van materiële aard of ze kunnen van ideële aard zijn. Voorbeelden van het eerste zijn o.a.: 'aanschouw toch onze vernedering, voer onzen twist en verlos ons spoedig’, ‘zegen voor ons dit jaar en alle soorten oogst daarin ten goede’, ‘verijdel de plannen onzer vijanden’, ‘schenk ons broodwinning, lang leven’, etc. etc. Ze zijn niet alleen in de Joodse godsdienst, maar alle godsdiensten gebruikelijk (‘schenk ons heden ons dagelijks brood!’) en er is in geen der kerken iemand, die daar aanstoot aan neemt. Voorbeelden van de tweede soort zijn: ‘reinig ons hart om U in waarheid te dienen’, ‘schenk ons verstand, begrip en oordeel’, ‘breng ons terug tot Uw leer’, ‘behoed mijn tong voor kwaad en mijn lippen ervoor bedrog te spreken; laat tegenover hen, die mij vloeken, mijn ziel zwijgen, en laat mijn ziel als stof voor allen zijn’ Ook deze zijn in zeer grote verscheidenheid en schone afwisseling te vinden.
Nu heeft de neo-orthodoxie de neiging om gebeden van de eerste soort zo te interpreteren, dat ze tot de tweede soort gaan horen. Met veel rhetoriek en met uitoefening van veel geweld gelukt het dan om van een gebed om een materiëel goed een gebed om een ideëel goed te maken. De reeds meer geciteerde verklaring van L. Wagenaar doet dit door toevoeging van het woord ‘zedelijk’, zonder dat uit de tekst blijkt, dat dit inderdaad bedoeld is. Een gebed om verlossing b.v. luidende: ‘en verlos ons spoedig ter wille van Uw naam’, wordt door hem als volgt toegelicht: ‘Als Verlosser, niet alleen in den uitwendigen, maar vooral in den zedelijken zin van het woord, leeft Israëls God in de smeeking, die wij tot Hem richten. Zoo immers teekenen Hem de schoone profetische schilderingen, waarin, hetzij eenig kind van Israël in ’t bijzonder, of het volk Israël in het algemeen, den Goël Jisrael ( = Verlosser van Israël) opzoekt en die aan dit gebed ten grondslag liggen.’ Wanneer men nu weet, dat dit gebed in zijn geheel luidt: ‘aan-
131