BRONNEN EN LITERATUUR
Zie verder Fritz Heymann, Der Chevalier von Geldern; eine Chronik vom Abenteuer der Jaden, Amsterdam 1937. Over Mencia de Mendoza schreefTh. M. Roest van Limburg, Een Spaanschegravin van Nassau, Leiden 1908.
Voor het citaat uit de Catalogus van Marnixzie ).). van Toorenenbergen, Philips van Marnix van St. Aldegonde;godsdienstige en kerkelgke geschriften; Aanhangsel: Catalogus libro-rum bibliothecae, ’s-Gravenhage 1878, p. 12; e.v. Over de relatie van het Wilhelmus tot de Bijbel schreef G. Brom, Het Wilhelmus en de Bijbel, Med. N.A., Lett., Nieuwe Reeks, 9, no. 1, Amsterdam 1946. Later aangevuld door S.). Lenselink, ‘Marnix en het Wilhelmus’, Tijdschrift Nederlandsche Taal- en Letterkunde, lxvii, 4, 1950. F. Falk publiceerde 'Ein jüdisch-deutsche Fassungdes Wilhelmus van Nassouwe’, in B.V.G.O., 1939.
VAN BARLAEUSTOT BAUDARTIUS
Voor Menasseh ben Israël zie C. Roth. A hfe of Menasseh ben Israël, Philadelphia 1945. Zie voor de contacten van Menasseh met zijn niet-joodse vrienden ook de inleiding bij ). Meijer, uitgave van HugodeGroot, Remonstrantie nopende de ordredije in de landen van Hollandt ende Westvrieslandt dijent gestelt op de Joden, Amsterdam 1949. Voor Gro-tius’ kennis van het Hebreeuws zie ). Meijer, ‘Hugo Grotius’ knowledge of He-brew’, HistoriaJudaica, xiv, 1952.
Rembrandt en de joden. Zie F. Landsberger, Rembrandt, the leivs and the Bible, Philadelphia 1946. A. M. VazDias in De Vrijdagavond, vil, 28 en 29 (‘Wie waren Rembrandts buren ?’), en vm, 34 (‘Rembrandt en zijn Portugese buurtgenoten').
Over Athias schreef S. Seeligmann in Kaditnah, 1,30 april 1911, p. 178. Zie voorts J. F. M. Sterck, Vondel en Joseph Athias.
Zie voor Spinoza’s jeugd vooral A. M. Vaz Dias en W. G. van der Tak, Spmoza mercator & autodidactus, ’s-Gravenhage 1932. Belangrijk blijft K. O. Meinsma, Spinoza en zijn kring, 's-Gravenhage 1896.
Het citaat over de buitenlandse joden aan de Leidse Universiteit is ontleend aan G. D. j. Schotel, De Academie te Leiden m de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Voor Anna Maria van Schurman zie A. M. H. Douma, Anna Maria van Schurman en de studie der vrouw. Amsterdam 1924. Voorts O. C. Broek Roelofs. Wilhelmus Baudartius, Kampen 1947. Algemeen over de bestudering van het Hebreeuws: J. Nat, De studie vandeooster-sche talen in Nederland in de achttiende en de negentiende eeuw, Purmerend 1929. Over de Statenbijbel schreef C. C. de Bruin. De Statenbijbel en zijn voorgangers. Leiden 1937, waaraan een enkel citaat werd ontleend.
VAN 'CO-E N ' TOT CO Hl N
Voor de discussie over de theorieën van Sombart zie j. G. van Dillen, ‘De economische positie en betekenis der joden in de Republiek en in de Nederlandse koloniale wereld’, in H. Brugmans en A. Frank, Geschiedenis der joden in Nederland. Amsterdam 1940. Deze bijdrage steunt op vroegere onderzoekingen door A. M. Vaz Dias. Zie voorts H. I. Bloom, The economie activities of the Jews of Amsterdam m the seventeenth and eighteenth centuries, Williamsport (Pennsylvania) 1937.
Over joseph Pensode la Vega zie de herdruk van de Spaanse tekst van Confusionde confusiones met Nederlandse vertaling door M. F. J. Smith en G. j. Geers, ’s-Gravenhage 1939.
Voor de familie De Pinto zie J. S. Wijler, Isaacde Pinto. Apeldoorn 1923.
254