ZIJ LIETEN HUN SPOREN ACHTER
Dan... komt het pijnlijke intermezzo.
De spreker is de naam van het vissersvrouwtje vergeten. Hij noemt mij Krieltje en ik zie de gezichten van mijn medespelers vertrekken. Nu zegt hij, met pathos: ‘Waarde Kliertje’. Daar zie ik mijn dochter zich terugtrekken en achter de coulissen verdwijnen. Ik hen nu Klutje geworden... weer eclipseren een paar acteurs. De spreker gaat door, zoekt en zoekt, maar vindt niet. 'Gij, Kleurtje', hoor ik hem zeggen en ik merk, dat ik alleen nog maar door de feestcommissie omringd ben. Ik weet mij goed te houden, zelfs als ik aan het eind van de rede opnieuw word toegesproken met Kliertje en in de zaal een onderdrukt lachen hoor. Kniertje heeft deze feestredenaar mij niet genoemd.
Beter dan wie ook heeft Siegfried van Praag, die haar goed heeft gekend, bij haar dood Esther de Boer-van Rijk in haar verhouding tot de Joodse en Nederlandse levenshouding gekarakteriseerd. Hij schreef:
Esther de Boer-van Rijk is nooit ver van huis gegaan, is nooit gevlucht. Zij bleef op eigen grond. Ze heeft mets verlaten, vergooid, vertrapt. Niet het sociaal-milieu waar ze uit voortkwam. Niet haar trouw familieleven. Niet haar Jodendom. En niet dat Holland, waar ze dichtbij stond. Het Holland van kleintjes-levende en zwaar beproefde mensen. Twee mensen ken ik van zo'n groot joods en zo’n groot Hollands gehalte. Dat zijn Esther de Boer-van Rijk en Jozef Israëls. En ik wil weten hoe dat komt. Waarom staan nu levensgroot voor me, allen tesaam: Esther de Boer-van Rijk als Kniertje, Israëls’ Naar het kerkhof, Israëls’ De zoon van het Oude Volk. O, harmonie, die alleen door die laatste jaren van de negentiende eeuw werd mogelijk gemaakt. Zouden Joden zo innig Nederlands kunnen worden, als zij zich hadden moeten vereenzelvigen met de Nederlandse aristocratie, of met een streng calvinistische burgerij.; De tijd van Mevrouw de Boer wenste volkskunst, wilde dat de kunstenaar zich verdiepte in het leven van beproefde mensen. En de kinderen van het Oude Volk, met hun eeuwenoude ervaring van mensenleed, van zorg, van ‘sores’, zoals onze voorouders het noemden, Esther de Boer en Jozef Israëls gingen, eenvoudig en grifs gekleed, om niet te kwetsen, naar beproefde Nederlandse mensen, en in rachamanoeth werden ze tot de hunnen. Zo heeft Israëls de roestig-bruine berusting van De zoon van het Oude Volk kunnen schilderen en uit dezelfde zielsliefde, de grauwe droefenis van de Nederlandse zee en de gang van de visser naar het kerkhof. En zo heeft Esther de Boer-van Ri/k haar grauwe doek omgeslagen en ging in de gedaante van Kniertje, het Nederlandse vissersvrouwtje, haar weg. Ik geloof niet, dat er in de geschiedenis der Joden in het Westen, beter, edeler huwelijk geweest is tussen het Joodse en de ziel van het woonland, dan dat wat in die tijd gesloten werd door kunstenaars als Israëls en Esther de Boer-van Rijk. Een liefdeshuwelijk. Want het tras hun niet om Neerlands sier te doen, maar om zijn hart: het dervend volk aan de zee.
222