KINDEREN AAN DEZEE
Israëls behoorde nog tot dat soort ‘Jidden’, dat overal op de wereld soortgenoten ontmoet, ‘sjoeltjes’ bezoekt. Als hij op de terugweg uit Spanje (waarheen hij in 1899 een reis maakte in gezelschap van zijn virtuoze zoon Isaac en diens vriend Frans Erens) in Avignon de oude synagogeziet met zijn Hebreeuwse spreuk, mijmert hij:
Ook hier Jus zijn zij heen verslagen, Jacht ik, mijne veel beproef Je stamgenooten; tus-schen zoovele instellingen der heidenen, leeft hier nog het uitverkoren volk. De plaats scheen mij toe door vele Joden bewoond te zijn; ik ken hun gebaren en bewegingen en hunne niet te miskennen gelaatstrekken. Maar het scheen, dat ook een hunner mij als zijn broeder herkende; tenminste hij kwam op mij af en vroeg, of ik niet een der hunnen tras en waar ik vandaan kwam; hij zag, Jat wij vreemdelingen waren. Misschien dacht hij, dat wij de hulp der gemeente noodig hadden, want onze kleeding zag er niet best uit: medelijdend bood hij aan mij naar den gemeente-voorzitter te geleiden. Ik antwoordde, dat hij zich niet vergist had, maar dat ik de hulp der gemeente vooralsnog niet noodig had.
Indrukwekkend blijft het verhaal, dat eveneens in zijn reisbeschrijving werd opgenomen en dat de achtergronden beschrijft vaneen zijner rijpste werken, de Wetschrijver, de ‘Soufer':
Op een morgen wandelde ik op mijn eentje, met mijn wandelstok gewapend, om het evenwicht te bewaren op de glibberige en hobbelige straten, toen ik een poort of ingang zag, waarin eene vrouw bezig was water uit een put te scheppen. Ik wachtte een oogen-hlik en toen zij vertrokken was, ging ik er in en zag eene hooge donkere ruimte, waarin een groote steenen put geplaatst was, geheel zooals wij dat wel afgebeeld zien in de voorstellingen van Rachel en Lea. Een rad was hoog boven den put aangebracht, waaraan touwen hingen en een ijzeren haak: alles scheen oud en verweerd, maar het schijnt dat deze dingen het hier bijzonder lang kunnen uitlwuden. Toen ik rondzag, bemerkte ik aan den anderen hoek in den donker een steenen trap, die naar boven liep, natuurlijk naar vertrekken van bewoners dezer sombere kluis. Als vanzelf dreef de nieuwsgierigheid mij trap-opwaarts. Het was er erg donker, maar toen ik een eind ver boven den put gekomen was, werden de treden flauw verlicht uit een kleine opening, die uit het dak scheen te komen, ik hoorde iets sloffends naar beneden komen: maar kon het niet zien, omdat het een wenteltrap was, maar bij den draai dien ik opging, kwam er eene vrouwengestalte naar beneden. Eene slanke vrouw met eene groote kruik in den arm.
Toen zij mij bemerkte, draaide zij haar gelaat naar den muur, rukte haastig den doek, die om haar hoofd hing over de oogen, stortte haastig de trap af en de poort uit. Het was waarljk, alsof het een visioen geweest was, dat in die donkere omgeving mij plotseling was voorbijgegaan. Ik ging verder naar boven en stond aan het einde der trap, waar een gordijn was, dat zich heen en weer bewoog en waardoor ik onwillekeurig door de opening in het midden zag en gezien kon worden. Ik stond daar en durfde niet verder, niet wetende, wat mij misschien te beurt zou vallen, als ik binnentrad, maar toen ik daar besluiteloos stond te denken, hoorde ik tot mijne groote ontroering roepen: ‘Ma mewakschego?' in het
215