ZIJ LIETEN HUN SPOREN ACHTER
document, dat mij met beslistheid hierover inlichtte, is het kohier van de Inkomstenbelasting over het jaar ij30-31, waarbij Isaac Israêls voor een voor die tijd zeer hoog bedrag aan die 'Taxatie’ voorkomt. Dertien jaar later, in /f44, vinden wij dezelfde Isaac Israèls als ‘diaken der Joodsche Gemeente' met zijn collega Isaac Joseph Cohen, den Raad der Stad Groningen verzoekend, een statuut der joodse gemeente te willen vaststellen ‘tot voorkoming van alle disorders onder haar vergadennge’, in welk ontwerp aan die twee heren diakenen een zeergrote macht werd toegekend; doch blijkbaar was hunpositie in de stad dienovereenkomstig. Althans hun ontwerp werd bekrachtigd, waardoor de Joodse Gemeente, diefeitelijk reeds meerdere jaren bestond, officiéél werd erkend.
De kleinzoon van Isaac Israêls vinden wij, nadat de financiële rampen van 1763 en volgende jaren de Groninger Jodenheid sterk hadden aangetast, vermeld als een der borgen voor de in 1776 gesloten hypothecaire lening ter verbouwing der Synagoge. Zijn zoon A-braham Levie Israêls, in het ongeluksjaar 1763 geboren, maakte de gehele periode van de Franse tijd mede. Toen hij in 1S1S stierf, liet hg een zoon en een dochter na. Die zoon, Hartog Abraham Israêls, geboren 1796, huwde met Mathilda Salomon Tolack, de dochter van een Leeuwarder drogist en stierf 2 april 1S30 in zijn woning Vischmarkt F 86. Evenals alle vorige Israëlsen heeft hij dus in dezelfde buurt, de Vischmarkt en naaste omgeving, gewoond. In dat huis, waarvan niets meer over is, werd als derde kind uit vermeld huwelijk op 27 januari 1824 Jozef Israêls geboren.
Hij werd orthodox opgevoed. Zelfs dachten zijn ouders erover hem rebbe te laten worden. Maar zover kwam het niet, want spoedig werden zijn begaafdheden op het gebied van tekenen en schilderen ontdekt. Dat was alles nog in een jeugd, toen de kleine jongen caféhouder Mozes Kiek tekende, waarvoor hij werd beloond met een kop koffie en een boterkoekje. Toen hem op zijn oude dag dit curieuze jeugdwerk werd getoond, signeerde hij het portret van Kiek met de typische bakkebaarden. Jozef Israêls vergat zijn Joodse jeugd nimmer en hij bezocht op Sjabbat nooit zijn atelier. Orthodox in de strikte zin was hij al vroeg niet meer. Toen hij in zijn jeugd verliefd was op een dochter van de vrome Magnus Norden te Maarsseveen, werd hij als aspirant-schoonzoon afgewezen.
Hij leefde te vroeg om deel te nemen aan de moderne Joodse renaissance, maar smaakte het zeer bijzondere voorrecht Theodor Herzl, de grondlegger der Zionistische Wereldbeweging, op zijn atelier te mogen ontvangen. Een symbolische ontmoeting. Herzl begreep, dat deze grote kunstenaar een ‘trait d’union’ was tussen verleden en toekomst. In Israêls manifesteerde zich weereens dat eeuwige Joodse, dat —ook zonder dat het in formules is vast te leggen—ieder, Jood zowel als niet-Jood, als zodanig blijvend treft. Het verhaal van Saul en David, maar ook de Choepa én de innigheid van de Zoon van het Oude Volk.
114