BEURSBOUWERS EN BAANBREKERS
ting van de hoofdstad. Rotterdam was tussen 1850 en 1860 reeds belangrijk uitgelegd. Eind januari 1853 had de rusteloze Portugees in een tot de Raad gerichte Memorie er op aangedrongen Amsterdam ‘met een nieuwe en sierlijke wijk te verrijken’:
Handel en nijverheid en landbouw zijn voorzeker de eerste bronnen van welvaart en gewin. Daaruit moet het kapitaal komen, dat den grondslag der rijkdommen uitmaakt. Maar de koopman kan met weinig bedienden en eenige werklieden millioenen verdienen; de industrieel met zjn werklieden schatten bijeenbrengen, de landman met zjn gezin alleen zijn bezittingen gestadig uitbreiden, zonder dat de meerderheid der natie daarvan dadeljk of groot voordeel geniet. Het uitbreiden der steden, aanleggen van woonhuizen, openbare gebouwen en wandelingen is onmogelijk zonder dat allen daarbij genieten. Hier helpen geen werktuigen, geen gelukkige combinatiën, geen gunstige saisoenen. Stuk voor stuk moet met handen worden bewerkt, aangevoerd, geplaatst en versierd. Naar mjn plan zullen millioenen schats worden verwerkt en telkens tot meerdere werken aansporen.
Sarphati’s plannen voor het nieuwe stadsdeel voorzagen in een royale uitbreiding van honderd bunders. Van de resultaten van de moderne stedebouw-wetenschap uit het buitenland zou een nuttig en zinvol gebruik moeten worden gemaakt. Parken en plantsoenen zouden het geheel completeren. Er moest geprofiteerd worden van het natuurlijke gegeven der Amsteloevers, zoals ook de grote steden uit het buitenland profijt hadden getrokken van brede stromen. Sar-phati dacht aan Hamburg:
Het was daarom mijn doel bij dit plan den aanleg des Alsters zooveel mogelijk te volgen. Ik zeg met nadruk zooveel mogelijk, omdat de Alster niet alleen breeder is, en door het rjzen van den achtergrond een verrukkelijk vergezicht oplevert, maar omdat die rivier bovendien aan haar drie zijden door een hooge, fraaie beplanting en met de schoonste en grootste hotels van Europa pnjkenden wal omgeven, eeit heerlijke omzoomde kom vormt, zooals thans van den door den Buitensingel van de Schans afgesneden Amstel niet kan worden verkregen.
Reeds in 1862 dacht de plannenmaker aan het Amstelhotel, dat vier jaar later inderdaad door hem werd gesticht.
In Sarphati schijnt het aandeel der Joden aan de Nederlandse beschaving zijner periode welhaast belichaamd. In deze zoon van het Sefardische Jodendom van Amsterdam herleefde nog eenmaal de glorie van vroegere eeuwen. Bewuste Jood, die naar de tradities van zijn volk leefde, werd hij daarnaast verteerd door een brandende liefde voor de hoofdstad zijner Nederlandse ballingschap. Het doorbladeren van de catalogus zijner verzameling imponeert; dat doet reeds de waarheidsgetrouwe titelpagina:
145