ZIJ LIETEN HUN SPOREN ACHTER
David; en het was juist deze aandoenlijke vreemdelingschap, die bij de joden van het oude Holland eene getrouwheid en verknochtheid aan dezen Staat en aan het Huis van Oranje teweeg bracht, waardoor zij ten allen tijde bij de wettige Overheden bemind, en bij ieder getrouw Vaderlander geacht en geëerd zijn geweest.
Hij wist zich vreemdeling. Zijn binding met Nederland en Oranje was een toevallige en blijft dit. Hij verlangt inderdaad niet anders dan ‘een zachte ballingschap en een niet harde herbergzaamheid’. Op een afstand bleef het ‘gastland’. Tenzij Nederland = Israël, en Oranje = Koning Da\ id. Hij staat voor niets. En het grandioze van zijn persoonlijke romantiek is wel, dat hij aan zulke chimeren—en niet zonder blijvend succes bij een beperkte groep—een geheel volk, land en koningshuis heeft ondergeschikt gemaakt. Hoeveel dromen vervlogen. Hoe zeldzaam die ene, die van de Amsterdamse jodenhoek haar rechtstreekse weg vond naar het hart van Nederland. Aan Bilderdijk schrijft hij:
Mij trof bijzonder het gebed voor het heil van Nederland aan den God van Nederland. Deze door een langdurig gebruik gevestigde uitdrukking is toch al zeer particulier, en komt wederom overeen met al hetgeen wij ten opzichte van eene allerbijzonderste Voorzienigheid van God over Holland zoo dikwijls niet innige dankbaarheid hebben mogen opmerken. Ik weet niet, dat eenig ander volk buiten Israël zich diergelijk een uitdrukking veroorloofd hebbe. De God van Frankrijk, van Engeland of iets diergelijks zoude eerder Heidensch en afgodisch dan Christelijk klinken; en toch hindert de uitdrukking waarop mijn aandacht bijzonder viel, volstrekt niet, maar schijnt een grond van geloof te geven aan eene heerlijke toekomst van Holland onder Oranje.
Tegenover zijn vriend Willem van Hogendorp spreekt hij zich uit:
Wonderbaar is de betrekking van ons kleine Holland: Zoo was Judea onder het Oude Verbond... Zeer sterk trof mij onlangs de optelling van die menigvuldige gelegenheden, waarin Gods onmiddellijke tusschenkomst ten behoeve van ons land heeft plaats gehad. Dichterlijker, heerlijker en Goddelijker historie, na die van het Oude Israël bestaat er niet dan de onze.
Het curieuze van zijn doop ligt dan ook hierin, dat in zijn voorstelling het huwelijk van de Joodse en de Nederlands-Christelijke beschaving zó natuurlijk was, dat hij, Isaac da Costa, eerlijk het gevoel kon hebben, dat er met zijn overgang naar het Christendom niets ingrijpends was geschied. Zoals Gerard Brom het eenmaal treffend formuleerde: ‘Da Costa bleef Jood als Christen, het uitverkoren volk verhuisde van de Jordaan naar de Amstel en de God van Abraham, Isaac en Jacob werd de God van Nederland...’
Aan deze eigenaardige, volstrekt ongewone opvattingen ontleent Da Costa de innerlijke kracht om in 1823 en in 1824 twee brochures te
110