anecdote van de weeshuisregent, die op Sjabbat een moeder van zijn pupil op het Centraal station ontmoet en daarop aanmerkingen maakt. Op de reactie van de moeder „maar U is toch ook hier”, luidt het verrassende antwoord: „maar ik heb geen kind in het weeshuis”. Dat de onwaarachtigheid van dit standpunt inderdaad zo is aangevoeld, blijkt uit de felle reactie van een latere socialist als Jos. Loopuit, in zijn furieuze frontaanval op de Joodse bourgeois: „Zo vindt de moderne Joodse bourgeois, dat de ritus-vormen van den Joodschen Godsdienst voor hem niet bestaan maar dat deze daarom niet minder moeten blijven voor den „minderen” man. Voor zich zelf wil hij vrij zijn, maar bijv. de Rabbijnen, de Joodsche geestelijken, moeten zoo streng mogelijk zich aan den ritus enz. houden”. „De koetsier moet nuchter blijven”.
En hoe reageerde de regent op deze stem van de Jodenbreestraat ? Voor de Emancipatie-nastrevende liberalen waren de proletariërs een blijvend obstakel. „Das ihnen bis in den Tod verhasste Proletariat”, schreef Dünner aan Hess. Waarom haatte dit geslacht deze arme mede-Joden ?
Merkwaardigerwijze wreekte zich ook hier de liberale opvatting op zichzelve. Het streven naar Emancipatie impliceert een ideaal, dat een maatschappelijke status vereist om het na te jagen. Dat deze ontbreekt wordt de proletarische Joden kwalijk genomen. Eén schreeuw om ontwikkeling, geestelijke en lichamelijke regeneratie (men denkt zelfs aan landbouwopleiding) beheerst de kleffe krantenliteratuur van de vorige eeuw. De in dit verband gepropageerde filantropie — van boven af en hoe beoefend — heeft naast steunbeurzen haatcomplexen gekweekt in het „Amsterdam van A. C.” Geen bezielde klank speelt er door de suffe, eentonige rij brochures en „opvoedende” geschriften, die de bibliograaf hoogstens eenmaal catalogiseert en bij de schoonmaak nog eens uit de kasten neemt.
Kleurloos dit alles — stemmingloos en vlak. Men is geneigd te luisteren naar de grote Douwes Dekker, die er niet veel meer in zag en die bij zijn analyse van het Joodse type de strijdbaarheid mist en spottend vraagt of Israël misschien „met den Heer gehuwd was onder ’t regiem van ’t laisser faire?”
SOCIALISTEN
In de jaren, dat Multatuli’s Woutertje Pieterse zijn wandeling maakte door de Jodenhoek, maakte Nederland zijn beslissende ontwikkeling door op de weg naar het modern-kapitalistische stadium. Vaak heeft men in dit verband de historische gang van zaken al te eenvoudig geconstrueerd, vooral waar het gold een beschouwing over wat wij zouden willen noemen: de proletarische Emancipatie der Joden in Nederland. Deze immers vormt niet anders dan het sluitstuk van een ontwikkeling, die inzet op het moment, dat de liberale periode zichzelf heeft overleefd. Een geestelijke degeneratie dient zich aan, waarop het Socialisme een positieve reactie vormt. De geestescrisis, die zich in de jaren tachtig en negentig manifesteert, is een algemeen Europees verschijnsel en men is op een
103