verkeerde weg, als men bij verklaringen van zulke fenomenen uitsluitend denkt aan incidentele factoren uit de interne geschiedenis van Nederland en zijn Joden.
Een Europees verschijnsel, deze decadentie, die het einde der eeuw bepaalt en hiernaar ook wel wordt genoemd „fin de siècle”. Ook in Nederland hebben deze late eeuw-stemmingen zich duidelijk gemanifesteerd — onze taak is het dit aanwijsbaar te maken voor Joden.
Het dualistische element in de liberale atmosfeer, dat, Joods gezien, tot zeer weinig verplichtte, moest uiteindelijk in deze periode zijn leegheid demonstreren. Wat bood men aan; wat kon men verwachten? Uitgeleefd is dit geslacht, dat geen Joods ideaal meer vermocht te zien, dat onbezorgd voortvegeteerde in een tijd „toen het Jodendom niets van ons eiste, ons niets meer kwalijk nam, toen we in Europa de Joodse pot aan het opteren waren, toen de „risjes” der toenmalige antisemieten ons verouderd leek, toen het goed ging in het diamantvak”, naar een formulering van Siegfried van Praag. Maar wanneer dit Jodendom zelf in zijn liberaal-kapitalistische stijl niet meer voeden kon en evenmin beschermen, wat restte er dan ? Een nieuw ideaal misschien, dat over alles heen weer terug zou grijpen naar de oerbron van het oud-Joodse leven: de profeten? De tijden waren er rijp voor.
Een geprononceerd antisemitisme manifesteerde zich niet alleen in de Russische pogroms en de Westeuropese Dreyfus-affaire, doch ook in Nederland. A. C. Wertheim had reeds in zijn Alliance-redevoering op intuïtieve wijze het opkomende antisemitisme in zijn hevigheid herkend; ook in Nederland, waar Dr. Abraham Kuyper in 1878 (ongeveer tezelfdertijd als het optreden van de Hofprediker Stöcker) zijn verbeten brochure Libe-ralt sten en Joden had gepubliceerd.
Maar tot positieve vormgeving kwam men nog niet. Althans niet in brede kringen van het Joodse Amsterdam en wel allerminst in het proletariaat, dat nu eerst — ongeveer een eeuw na 1796 — zijn Emancipatie-kans zag in het Socialisme! Om dit te begrijpen, moeten wij doordringen in het wezen van de harde strijd, die de Joodse Socialisten van Amsterdam hebben gevoerd tegen hun liberale mede-Joden, een strijd, die in proletarische felheid misschien hoogstens haar weerga kan vinden in die van de veenstreken van Friesland of op de klei van het Groninger Oldambt.
Dat dit innerlijk conflict haar enige oorzaak zou vinden in de beperkte omgeving van het Amsterdamse Ghetto, waar men de antithese des te scherper had ondergaan, lijkt ons echter te simplistisch. Wij geloven hier eerder te moeten wijzen op een algemeen vraagstuk in de ontwikkeling van het Socialisme: wij menen de zogenaamde antisemitische traditie in het moderne Socialisme, waaraan Edmund Silberner een groot aantal studies heeft gewijd. Het geheel komt hierop neer, dat tot in de vroegste socialistische denkbeelden — en wij bedoelen hier reeds de utopistische — een sterk antisemitische inslag heeft geheerst, die in Karl Marx zelf zijn opmerkelijkste vertegenwoordiger heeft gekend. Silberners standaardartikel „Was Marx an Anti-Semite ?” gaat diep in op de invloeden, die de jeugd van de geleerde econoom hebben gevormd. Het derde hoofdstukje „The Frontal Attack: Zur Judenfrage” behandelt de bekende bijdrage van Marx naar aanleiding van Bruno Bauers essays en geeft een goed overzichtelijk schema van zijn denkbeelden: „Wat is de wereldlijke basis van het Jodendom? Praktische behoeften; egoïsme. Wat is de wereldlijke cultus van de Jood? De sjacher. Wat is zijn wereldlijke God? Het geld”.
104