lijke kortsluiting, die na 1874 optreedt in het zieleleven van een kamergeleerde, die na een geslaagde carrière als Rector deze laatste functie moest verbinden aan het pastoraat van een zo heterogene en overgevoelige gemeenschap, die ten overmate nog een beslissende sociale overgangsperiode tegemoet ging.
Er is een zinvol verhaal bewaard. Toen de conflicten om het Opperrabbinaat in 1874 een hoogtepunt hadden bereikt, kwam Professor Israëls Dünners studeerkamer binnen. De aanstaande Raw was ingespannen bezig met het formuleren van zijn studie „Over wezen en oorsprong der Tosefta-theorieën”, die in hetzelfde jaar bij Seyffardtsche Buch-handlung te Amsterdam verscheen. De reactie van de hoogleraar bij het zien van de man, die daar rustig aan zijn werktafel zat, was niet onbegrijpelijk: „Maar vriend, hoe kunt U studeren; weet U dan niet, dat de hele gemeente in rep en roer is over U?”
Deze vorser nu, die in een iets vroeger stadium nog een professoraat had geambiëerd, werd Raw en aldus betrokken in alle kleine en nog kleinere conflicten, waaraan het Nederlandse en speciaal Amsterdamse Jodendom altijd zo rijk is geweest. Pijnlijke controversen deden zich voor met zijn oud-leerling en rabbinale collega J. D. Wijnkoop. Een vulgaire pers, op het allerlaagste niveau, richtte zich tegen zijn beleid. Uit de veilige omheining van zijn studeervertrek werd hij letterlijk op straat gezet, op de Jodenbree-straat. Zijn ongenaakbaarheid werd er des te groter door. Maar wat de Rector was vergund stond daarom de Raw niet vrij. Hij mocht zich niet meer opsluiten; hij deed het nochtans.
En als hij dan een enkele keer — zo geheel tegen zijn oorspronkelijke ik in — zich met de praktijk van het Joodse leven ging bemoeien en — wat toch eigenlijk hetzelfde is — concessies (aan zichzelf vooral) ging doen, dan merkte hij hoe, als in 1862, links en rechts op hem losstormden. Maar toen ging het om grote belangen van principiële aard en op een redelijk niveau en was hij de komende rector met een historische taak, vol idealen. In de polemiek met Akiba Lehren over het Godsdienstonderwijs (1876) was alleen nog maar sprake van discussies over het cheider en de eisen, die daaraan mochten worden gesteld op een moment, dat de grote desintegratie zich reeds had aangekondigd. In het antwoord van Dünners leerling Tobias Tal beluisteren wij reeds een geluid, dat weinig perspectieven inhoudt voor de toekomst van het Joodse Amsterdam. Het gaat er somber uitzien.
Concessies worden gevraagd; altijd maar meer en hardnekkiger. Hieruit resulteert een enkele keer een briljant denkbeeld, als de bijzondere Joodse School. Wij schrijven dan 1898. De correspondentie tussen de Opperrabbijn en B. en W. van Amsterdam is nog steeds de moeite van het lezen overwaard. In de openbaarheid maakte het woord van de Raw indruk, vooral ook omdat hij zich niet ontziet de burgerlijke autoriteiten fier tegemoet te treden.
„Naar aanleiding van uwe uitnoodiging van Vrijdag jl., heb ik bij deze met bescheidenheid de eer, de feiten nader te omschrijven, die mij den plicht opgelegd hebben, om mijne geestverwanten onder mijn gemeenteleden op bet gevaar opmerkzaam te maken, waarmede het behoud van het voorvaderlijk geloof bedreigd wordt, zoo de splitsing van het godsdienst- en algemeen lager onderwijs bleef voortbestaan.
Van oudsher waren godsdienstzin en heilige eerbied voor de overheden, vooral de hoogste overheid,
97