Op 3 juli 1862 heeft Moses Hess de pas benoemde leider van het Seminarium reeds zijn Rom und Jerusalem toegezonden, heet van de pers.
„Maar ik verzoek U, het nog niemand te laten zien. Het komt eerst over 8 of 14 dagen in de handel en ik zag gaarne, dat het bij het verschijnen gelijktijdig door U in het „Mainzer jüdischen Zeitschrift” en zo mogelijk ook elders werd besproken”. . .. „Mijn waarde vriend, doe mij het genoegen mij, nadat U alles hebt gelezen, te schrijven hoe gij er over denkt. Ihr Urteil ist für mich massgebend”.
Het boven geciteerde schrijven van Dr. Dunner uit de decemberdagen van het jaar 1862 reageerde op een tweede schrijven van Hess, d.d. 16 december, uit Keulen. Hij schrijft daarin:
„Te Amsterdam schijnt mijn geschrift in het geheel niet in te slaan; althans mijn uitgever schrijft mij, dat hij de boekhandel Joh. Müller een partijtje exemplaren heeft gestuurd en daarover niets naders heeft vernomen. U zoudt mij een grote vriendendienst bewijzen door bij deze boekhandel te informeren, of hij geen exemplaren heeft verkocht. In dat geval, dat wil zeggen, als hij nog exemplaren heeft, zoudt gij hem misschien een aantal adressen van Joodse gezinnen kunnen geven, aan wie hij ze op zicht kan sturen ...”
In deze zelfde brief roert Hess het vraagstuk van de Reform aan.
„In het algemeen hebben de Joodse reformatoren zich ter gelegenheid van mijn geschrift in hun volle zwakheid getoond. Zij hebben zich ondanks hun stille woede nergens gewaagd aan een principiële polemiek. Goedkope aardigheden, verdachtmakingen, als het heel ver ging mislukte pogingen tot weerlegging van een gedachte op zichzelf of het aantonen van incidentele fouten, waardoor echter het geheel in wezen niet werd aangetast, dat was alles, wat zij konden inbrengen tegen een geschrift, die Ihnen das Herz durchstochen ...”
„Het bestrijden van de Reform uit een niet-orthodox, doch filosofisch-historisch standpunt heeft reeds het voordeel, dat de „verlichte” Joodse Kerkbesturen geen eer meer stellen in het benoemen van Reform-Rabbijnen, doch het gebied van het Jodendom overlaten aan Joden, dat wil zeggen: kenners van en getrouwen aan de Wet.
Zoals zij zich anders over de laatsten schamen, zo zullen zij zich voortaan schamen over de Reformers, die noch de wetenschap noch het publiek aan hun zijde hebben. Want nu de belhamels van de Reform („Leibammel der Reform”) de draaiziekte hebben gekregen (zoals U weet een ongeneeslijke ziekte van de hersenen bij schapen, waaraan een worm knaagt) loopt de hele Reform-kudde uit elkander; de publieke opinie bewerkte, dat dit stadium is ingetreden. Daarvan geven onbetwistbare symptomen in alle gemeenten blijk ...”
Zo steunt Hess Dünner in zijn moeilijkste Amsterdamse jaren. Voor het moreel van deze nog geen dertig-jarige Rector moet dit alles veel hebben betekend. Of het Dünner ook zou gelukken in het Amsterdam van de Lehrens en hun Pekidim belangstelling te wekken voor de breede nationale projecten van de schrijver van Rom und Jerusalem?
De verdere correspondentie licht ons ook hierover in, doch ten negatieve. Wij zijn dan enige jaren verder en het stuk speelt in 1865. Wij raken de geschiedenis van de Chibbat Tsion-beweging als Hess op 5 december van dat jaar zich als volgt tot Dr. Dünner richt:
„Ik weet werkelijk niet meer, of ik u niet eerder heb geschreven over de geachte overbrenger van deze regelen, die ik sedert de uitgave van Rom und Jerusalem als vriend heb verworven, namelijk de vrome en geleerde rabbi Joseph Natonek. Sedertdien correspondeert deze met mij en met de heer Hirsch Kalischer uit Torn. Al zijn kracht en idealisme (Leben und Streben) is geconcentreerd op het
94