Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Titel
Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Jaar
1964

Pagina's
138



zending, ons verleden en onze toekomst, verklaarden zij den verdelgingsoorlog aan en voerden dien tegen het traditioneele Jodendom.”

Om tenslotte te concluderen:

„In het jaar 1863, het tijdstip, waarin de jonge richting het toppunt van bloei bereikt had, bood het Nederlandsche Jodendom voor hem, die niet bij de oppervlakte staan bleef, maar tot het hart der verschijnselen doordrong, een weemoedigen en zorgwekkenden aanblik aan. Aan den eenen kant het oude Jodendom in 2ijne volle kracht en schitterende glans, aan den anderen kant het jonge geslacht, dat met onvermoeiden arbeid en met buitengewone vaardigheid een graf dolf, dat de gezonde en krachtige dragers van het oude zoude verslinden. Het was aan geen twijfel onderhevig, of, zoo geen onverwachte redding opdaagde, de dagen van het Jodendom ook hier geteld waren.”

Die onverwachte redding kwam nu in de persoon van de schrijver van de geciteerde necrologie. Roest, aanvankelijk eveneens reformistisch ingesteld, werd door Dünner in het rechte spoor gebracht en in de moeilijke jaren tussen 1862 en 1874 als diens journalistieke medium gehanteerd. Voortdurend werd de bibliograaf aangespoord om de charletannerieën van de godsdienstonderwijzers aan de kaak te stellen. Verhalen zijn bekend gebleven over boodschappen, die de Rector aan Roest zond met het verzoek zich bij hem te vervoegen. Als de journalist de studeerkamer was binnengetreden, werd hem

kort en krachtig een plaats aan de schrijftafel aangewezen. „Schrijf ” Hij werd niet

eerder „bevrijd” alvorens zijn artikel te hebben voltooid.

Er was veel werk aan de winkel, want genoemde „godsdienstonderwijzers” waren vaak creatief. Al was dan de kwaliteit van hun geschrijf beneden ieder denkbaar niveau. Hoe onderscheiden hun pennevruchten zich zelfs ongunstig van toch al niet originele prestaties, waarvoor in het begin van de eeuw mannen als M. Lemans en S. I. Mulder verantwoordelijk waren. De laatsten mochten dan weinig oorspronkelijks hebben geleverd, hun vertalingen en bewerkingen (mede door Zunz en later Sachs beïnvloed) waren er toch om hun vlijt en niet eens altijd hun onoordeelkundigheid te demonstreren. Hun correctheid in tekstuitgaven, weliswaar slaafs teruggaande op Wolf Heidenheim( die ook in Amsterdam werd geplagieerd) was er toch ook nog om te bewijzen, dat zij in meerdere of mindere mate geschoolde hebraïci waren. Dillettanten, zeker, maar die hun grenzen kenden.

Omstreeks 1860 waren de epigonen der epigonen aan bod gekomen. Het reeds matige niveau daalde zienderogen. Vooral de redactiebureaus der Joodse weekbladen werden sedert 1849 oorden van een „unverfroren” amratses.

Zo gezien moeten de moeilijkheden van Dünners beginperiode niet gering zijn geweest. De nieuwe rector begon echter vol moed met zijn werkzaamheden, die hun eerste uitdrukking vonden in het geschrift, waarmee de Reorganisatie van het Nederlands Israëlie-tisch Seminarium in 1862 een aanvang nam.

89

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.