DE KILLE, DIE HIJ AANTROF
Wij hebben ons in dit opzicht al georiënteerd en kennen de voorgeschiedenis van Dünners komst èn de motieven, die daartoe hadden geleid. Maar historisch schijnt het ons toch de moeite waard hemzelf aan het woord te laten over de innerlijke spanningen in het Nederlandse Jodendom omstreeks 1860. Eenmaal heeft hij zich n.1. daarover uitgeschreven en wel naar aanleiding van het sterven van de bibliograaf-journalist M. Roest, die gedurende lange jaren Dr. Dünner heeft gesteund in zijn strijd tegen de nieuwlichters, die vóór 1860 al zoveel stof hadden doen opwaaien en die daarna niet van zins bleken hun activiteiten te staken. Althans voorlopig niet.
In de Israëlietische Nieuwsbode, waarvan Meijer Roest de kundige redacteur was, heeft de toenmalige Raw (in het nummer van vrijdag 29 november 1889) in een uitvoerig artikel (,,Roest’s leven, werken en streven)” de situatie omstreeks het midden der eeuw geanalyseerd. Aan Dünners woorden behoeft niets te worden toegevoegd:
„Tegen het einde van de eerste helft dezer eeuw bood het Jodendom in Duitschland een zoodanig treurig en beschamend verschijnsel aan, dat men te vergeefs zijn wederga in onze zoo oude en rijke geschiedenis zoekt. Een groot aantal van Joodsche geestelijken ontzegden openlijk en plechtig aan het traditioneele Jodendom het recht van bestaan. De eeuwig jonge en heldhaftige krijger werd door hen verloochend en met schimp en hoon overladen, omdat hij, ten gevolge van onnoemlijk vele veldslagen, door hem gemaakt, met vergrijsde haren en bloedende wonden bedekt, omdat zijne kleeding gehavend was. Het niet schoone uiterlijk van den Joodschen geest in dien tijd, een noodzakelijk gevolg van eeuwenlange vervolging en afsluiting, diende den verwaanden en ij delen mannen tot voorwendsel, om dezen geest te doen vervangen door een uitgedost en opgesmukt idiotisme. De luidruchtige eeredienst van het gouden kalf zou nu in de plaats treden van de stille godsdienstoefening in den tempel; de innige, waarachtige aandacht zoude wijken voor gemaakte bezieling, de diepe geleerdheid voor de phrase. En deze beweging had hare ijverige en onverdroten apostelen. Logisch onbegrijpelijk, maar een zielkundig feit. Ook de phrase heeft een tijd van bezieling. Geen wonder nu, dat deze beweging in hare eerste opwinding ook in ons land dragers vond, alleszins geen geestelijken. Deze schande heeft, Goddank, het Nederl. Jodendom niet beleefd. Geen enkele zijner rabbijnen was bereid, het verlangde verraad te plegen. Maar de lucht was zoo vol van de hervormingsmiasmen, dat het minder aangename uiterlijk van het oude Jodendom hier het voertuig werd tot hunne overplanting op jonge rechtsgeleerden en geneeskundigen, wier praktijk hun tijd genoeg liet, om zich met godsdienstige ziekten en geestelijke processen bezig te houden. Zij waren het, die hier de rol van de Duitsche rabbijnen overnamen. Aan gezag en welsprekendheid stonden onze apostelen bij de vreemdelingen niet ten achter. En zoo togen zij met vollen moed aan het vernielingswerk. Zware tijden waren voor de geloovigen aangebroken, jaren van schrik en angst, van onrust en zorg; want geheel weerloos stond de vrome gemeente daar.”
Dan komt de schrijver tot een essentieel punt van zijn beschouwingen. Het grote gevaar voor het Nederlandse Jodendom trad in dit stadium pas werkelijk in, toen bepaalde godsdienstonderwijzers, die nota bene aan het Seminarium waren gevormd, zich aan het hoofd van de Reform-beweging stelden. Dünner moet bekennen, dat deze mannen hun taak uitstekend hebben begrepen en opgevat. „Met een door en door geleerde welsprekendheid, met invlechting van citaten uit Bijbel en Talmoed, met kritische beschouwingen over onze liturgie, met wijsgerige opmerkingen over onze geschiedenis, onze
88