Maar hier dient voorlopig één belangrijke conclusie getrokken. Toen de voorzitter van de A.N.D.B. bij Dr. Joseph Hirsch Dünner op audiëntie kwam, was de laatste reeds jaren Opperrabbijn. De jongeman, die in 1862 naar Nederland kwam, ambieerde slechts het Rectoraat van het Seminarium. Hij was een man van de wetenschap, die trouwens op dit gebied al de nodige botsingen achter zich had. Kind van het Oost joodse Krakauer milieu, waar hij zijn eerste en belangrijkste vorming had ontvangen, had zijn studietijd in Bonn hem geconfronteerd met het wetenschappelijke stramien der Westeuropese univer-siteiten. Inderdaad een kind van twee werelden. De ene beheerst door een figuur als Cha-jim Nathan Dembitzer, de „Dajan” uit Krakau, die niet alleen schitterde als Talmoedist, maar die ook naam maakte door zijn historische studiën, een uitzondering onder de Poolse Rabbaniem. De andere, die van Bonn, door figuren als Friedrich Ritschl, hoogleraar in de Philologie en als zodanig in een iets later stadium Nietzsches belangrijkste leermeester. Eenvoudig lijkt ons dit alles niet. Te minder, wanneer wij weten, dat Dünner aanvankelijk een verklaard tegenstander schijnt te zijn geweest van profane wetenschappen. Als zodanig had hij reeds vroeg contact met de gebroeders Lehren. Het is niet eens onwaarschijnlijk, dat zij het zijn geweest, die de begaafde jongeman het advies hebben gegeven tot het volgen van een academische opleiding, waardoor hij aanvaardbaar zou worden als Rector, ook voor de liberale regenten. Ironische speling van het levenslot. Want de scherpzinnige talmoedist werd gegrepen door de moderne wetenschappelijke methoden der universiteit, die zijn eigenlijke levensloop hebben bepaald. Maar wij lopen op ons verhaal vooruit. Wij moeten terug naar 1862, toen een jongeman, wiens naam in de Joodse pers uit die tijd nog niet eens goed gespeld werd, naar Amsterdam kwam. „Kandidaat in de letteren
en wijsbegeerte aan de universiteit te Bonn en tevens uitstekend talmudist en, naar
men ons verzekert, ook voortreffelijk oriëntalist.”
Of Dünner inderdaad een „voortreffelijk oriëntalist” is geweest werd reeds vroeg betwijfeld. Maar in elk geval was het juist, dat aan de kwaliteiten werd toegevoegd, dat, wanneer hij tegen , Julij e.k. in functie” zou treden, hij waarschijnlijk „den titel van hum. Philol. Philos. Doctor zal hebben verworven.” Het bericht besluit dan met de nuchtere mededeling: „Het spreekt vanzelf, dat met dusdanige radicale verbetering in verband zal moeten gebragt worden de rijks- en gemeenten subsidie tot bestrijding der meerdere uitgaven. Dat die organisatie eene levenskwestie is voor het Godsdienstige en gemeenteleven van de Israëlieten in de Nederlanden, en dat het te beklagen is, dat Regenten thans over zoo weinig middelen hebben te beschikken, zal wel onnodig zijn hierbij te voegen. Wij hopen nogtans, dat èn de staat èn de gemeenten èn de particulieren door milde bijdragen zullen medewerken tot het verwezenlijken van opgemeld doel, waarvan men met grond de zegenrijkste vruchten voor alle Israëlitische gemeenten in het Rijk mag verwachten.” De nieuwe Rector van het Seminarium was komende, Waar kwam hij ?
87