DÜNNERS PERSOONLIJKHEID
Rondom de eigenlijke persoonlijkheid van Dr. Joseph Hirsch Dünner, in 1833 te Krakau geboren, was reeds ver voor 1940 een rookgordijn van legenden opgetrokken. Het stempel van zijn geestelijke leiding was op de grens van de 19e en de 20e eeuw zo allesoverheersend geworden, dat het een oppervlakkige beoordelaar wel moest schijnen, dat zijn optreden al het vóór-Dünnerse Jodendom der 19e eeuw had weggevaagd. De signatuur van de toenmalige geestesgesteldheid (wij doelen op de gehele ontwikkeling tussen p.m. 1900 en 1940) kon nauwelijks doen vermoeden, dat de vroege 19e eeuw ook hier de moeite van het bestuderen waard kon zijn. Dünners komst betekende min of meer een caesuur als eenmaal de Zondvloed. Wat vóór hem was geschied, werd vager en vager. Dat zijn komst en zeker ook zijn Opperrabinaat omgeven waren met een griezelige problematiek, dat hij in beide gevallen vele weerstanden te overwinnen had (en niet steeds
overwinnaar bleef!), dat hij omstreeks 1860 slechts de zoveelste keus had betekend......
dit alles werd in het geheugen van het Amsterdamse en Nederlandse Jodendom „verdrongen”.
Maar ook dit is historisch van belang, want het demonstreert ’s mans ongewone persoonlijkheid. Ieder, die op het Seminarium Dünners Talmidim en onder hen zijn grote leerling Rector Wagenaar zo vaak heeft horen spreken over De Meester, heeft aldus iets kunnen op vangen van de onuitwisbare indruk, die deze man op zijn omgeving, maar speciaal op zijn pupillen heeft gemaakt. Hoe kon tot ver na de Tweede Wereldoorlog Raw Tal in extase geraken als hij sprak over Dünners lessen! En hoe sprak dezelfde daar reeds over, toen hij in het jaar 1903, ter gelegenheid van de 70e verjaardag van de Raw-Reetor, in De Joodsche Courant over de vereerde leidsman schreef.
Uit Tals ongedwongen, haast primitief proza treedt het bekende beeld van Dünner tevoorschijn. Vooral ook treft de laatste mededeling, die als levend verhaal nog in mijn seminaristentijd de ronde deed. Hoe Dünner gebroken was door het bericht over het sterven van de jonge en begaafde Haagse Raw Tobias Tal. Het was de enige keer in zijn leven, dat de Rector de pedel opdracht had gegeven hem tijdens de les te storen. Hij werd gestoord, ging even naar buiten. Dan zag men hem na een moment krijtwit binnenkomen en zich richten tot een van de studenten met de bekend geworden woorden: „Waar waren we ook gebleven, gaat LI verder ”
Dit was geen pose ! Dünners kenmerkend Rectoraat werd evenals later zijn Rabbanoet gedragen door een ijzeren plichtsbesef, waarachter een vaak bewogen gemoed schuil ging. Een introverte natuur, die domineerde naar alle kanten op een wijze, die niet ten onrechte ergens „magisch” is genoemd. In deze karakteristiek ligt evenwel een beperking opgesloten. Zijn gevoelsleven bleef diep in hem verborgen. Men kan zelfs stellen, dat deze geleerde gedurig beheerst scheen door een afkeer van extrovertie, die zo licht zou kunnen leiden tot een gemeenzaamheid, die hem — gedurende zijn lange leven — ver bleef. Vooral later zou dit hem (en de Joodse gemeenschap van Amsterdam) duur te staan komen. Henri Polak vertelde mij eens, dat hij tijdens één der talloze conflicten in de Amsterdamse diamantwereld bij Dünner was ontboden. „Ik was blij, dat ik weer levend op straat stond”.
86