anderd, tempora mutantur en in deze grote Kille waren zovelen, die konden getuigen: et nos mutamur in illis. En vooral daarom kwam deze Raw niet naar Amstel en IJ, waar hij misschien toch nog met de Lehrens een regeneratie had kunnen bewerkstelligen. Intussen gingen de jaren verder en niet zonder risico’s. Want Dernburg mocht dan vertrokken zijn, zijn adepten waren gebleven. Leken-hervormers, zonder enige vorming op Joods gebied, die stelselmatig trachtten ieder Joods gezag te ondermijnen. Een kwaadaardig „amratses” uitte zich in dilettantistische brochures, die nieuwe wegen aangaven, waarlangs het Jodendom zich zou moeten ontwikkelen, wilde het niet in de ogen van „moderne mensen” onmogelijk worden. Het ging in de regel om de „Eredienst”, dit particulier jachtterrein der ongeschoolden.
Zo werd in 1859 te Amsterdam opgericht de vereniging „Sjochre Déa”, die zich ten doel stelde de eredienst te hervormen. De initiatiefnemer was de Duitse Rabbijn Dr. Isaac Löw Chronik, in 1831 te Posen geboren. Reeds in 1856 moet hij in Amsterdam hebben vertoefd, nadat hij tot dien (na de revolutie van 1848 uitgeweken) in Zwitserland literair werkzaam was geweest. Zijn werkzaamheden als Reform-rabbijn leidden tot het opstellen van een programma voor de Eredienst, dat een storm van felle protesten ontketende, waarvan de rabbinale assessoren A. J. Susan en J. S. Hirsch als de auctores intellectuales moeten worden beschouwd.
De reactie der Rabbijnen veroorzaakte een waar straatrumoer, dat niet zonder gevaar bleek. Na het beëindigen van zijn wekelijkse lezing op zaterdag 14 juli 1860 werd Dr. Chronik opgewacht door een woedende met stenen werpende menigte orthodoxen en het scheelde weinig of het was slecht met de geestelijke afgelopen. Sedert kon het optreden van Chronik slechts plaatsvinden onder politiebescherming. Zijn veertiendaagse lezingen — in Het Wapen van Amsterdam aan het Rusland — werden in de regel druk bezocht maar moesten op de duur gestaakt worden. Niet lang daarna vertrok de geestelijke naar Leiden, waar hij op Soekot (2 oktober 1860) een voordracht hield in het gebouw van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. In hetzelfde jaar nog keerde hij naar Duitsland terug. Na een kort verblijf in Berlijn werd Chronik, op aanbeveling van Abraham Geiger, uitgenodigd door de Reform-gemeente Sinai te Chicago om aldaar als „rabbi and preacher” te fungeren.
Hoewel de eenheid in de Amsterdamse Gemeente spoedig was hersteld, was het wederom duidelijk gebleken, dat in de hoofdstad behoefte bestond aan een leider, die zowel het vertrouwen genoot van de orthodoxie, als ook van de verder van de kern af staande intellectuelen en andere exponenten van het liberale burgerdom. Hier raken wij het contact met Amsterdam van Samson Raphael Hirsch. Reeds in 1854 had de grote Rabbijn Nederland bezocht. Aan dit bezoek danken wij het vermaarde Jeschurun-artikel „Aus der Mappe eines wandernden Juden”. De inhoud bestaat vrijwel geheel uit een felle reactie van Hirsch op de kritiek, die de Lehrens op het Jodendom hunner dagen oefenden. De Lehrens, die hem reeds jaren kenden en die ook hem tevergeefs hadden gevraagd als rector van het Seminarium te willen optreden! Wat hij evenmin als Jokef Ettlinger had geambiëerd. Hirsch ziet in, dat ook het Jodendom der gebroeders Lehrens niet in staat zal zijn bredere groeperingen te boeien. Daarvoor is allereerst nodig een nieuwe pastorale oriëntatie op de Jodenheid, maar dan op oude basis.
Hij bezocht de scholen en de particuliere huizen, waar nog werd „geleerd”. Hij zag de
82