Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Titel
Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Jaar
1964

Pagina's
138



Synagogen „die groszen und die vielen kleinen, und wahrlich das Herz ging mir auf bei dem Anblick der grossen Menge, die nicht an „hohen” öbligeten Festtagen, die am „gewöhnlichem Sabbath — und Wochentage die Räume füllte. Und doch miiste ich mir sagen, warum fehlt hier der Geist, der begriffe, was hier nun zu thun wäre, auf das auch nach 50 Jahren also die Gotteshäuser sich füllten, das wenigstens hier die Kämpfe erspart blieben, die in anderen Kreisen so schmerzlich tief Alles von einander gerissen”. Vijftig? Reeds 5 jaar na dato was Amsterdam in gisting. Wat lag er nu meer voor de hand dan dat men vanwege de orthodoxie aldaar wederom een beroep deed op de grote Samson Raphael! Zijn antwoord getuigt van welwillendheid en begrip voor de belangrijke zaak. Het ging vergezeld van een anoniem rapport van negen dichtbeschreven vellen. De frontaanval op Chronik is scherp, maar niet minder de aanval op het Amsterdamse

milieu, waarin „...... eine Capacität, wie sich in diesem Schriftstück ausspricht ...... zu

solcher leitenden und erschütternden Geltung kommen konnte”.

Uit het verloop der historie blijkt, dat na het vertrek van Chronik de eendracht der gemeente vrij spoedig was hersteld. Een commissie uit de Kerkeraad stelde zich in verbinding met het bestuur van „Sjochre Déa” en een soort compromisvoorstel vormde het slot. Op 4 juli 1861 werd besloten over te gaan tot het invoeren van een koor. Het blijkt, dat de gehele geschiedenis iets minder fundamenteel was dan Hirsch in zijn eerste opwelling had gedacht. Misschien ook was de persoon van Chronik, komende uit de kring rondom Geiger, het centrum van de aanval geweest. Het geheel ging als een nachtkaars uit.

Nadat de rust was wedergekeerd, wendde men zich opnieuw tot Hirsch met de uitgesproken bedoeling hem tot het Opperrabbinaat over te halen. Er kwam daarvan echter niets. Wel beveelt Hirsch zijn schoonzoon Güggenheimer aan, toendertijd in Stuhlweis-senburg.

Maar ook hij verschijnt niet op het toneel. Intussen begint het zoeken door Parnassim min of meer pijnlijk te worden. Uit een ander schrijven blijkt, dat men naar alle zijden de voelhorens uitsteekt. Een ware collectie ontrolt zich voor onze ogen. Dr. S. B. Auerbach, die in 1863 tot Raw van Halberstadt werd benoemd. Men spreekt van de latere Opperrabbijn van Colmar, Klein. Over Dr. Meier Feuchtwang. Allen geleerden van naam, rabbaniem van formaat. Maar ze kwamen niet.

Het zal wel nooit meer kunnen worden nagegaan wie of men inderdaad met klem heeft aangezocht. Van Feuchtwang is het zeker, dat hij geweigerd heeft een proef predikatie te houden (typerend voor de normen die men langzamerhand met betrekking tot de nieuwe „opperleider” ging stellen!).

Maar dat men er moeilijk in slaagde een Raw van betekenis te vinden en dat dit een gevolg was van de in discrediet geraakte naam van de grote „ier wa’eem be Jisraëel”, dat staat vast. Dan in elk geval maar een rector, moeten de Lehrens hebben gedacht en zij kwamen met de candidatuur van de jonge onbekende Joseph Hirsch Dünner, die ten dele op hun kosten zijn studie had voltooid.

In 1862 nam hij de leiding van het Seminarium op zich.

83

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.