zijn zoude. Zoude hiertoe geen wenk kunnen gegeven worden? Ik bevele U den man en zijne zaak van harte na en ik ben overtuigd, dat in een zeker opzicht zijne zaak die der rechtzinnige Christenen is. Ik verwacht binnenkort eenig nader schrijven van U en hoop U ook van mijn kant spoedig daarop over de overige punten, die wij te behandelen hebben, te schrijven.
Van harte,
I. Da Costa Amsterdam, 19 Dec. 1822.—
Deze brief werd geschreven niet lang na zijn doop! Kort vóór De Bezwaren tegen den geest der Eeuw.
CHIBBAT TSION
Dit alles beperkte zich tot de Nederlands-Joodse verhoudingen. Maar de Lehrens zouden geen echte Joden zijn geweest, als zij niet in de stijl van de eeuwenoude traditie ook aandacht hadden besteed aan een toekomst in het eigen Joodse vaderland.
Een notariële acte uit 1908 vertelt ons,
„dat ongeveer honderd jaar geleden aan enige belanghebbenden in het lot van hunne arme geloof s-genooten in het Heilige Land gebleken was dat de wijze van inzameling der gelden voor de nood-druftigen aldaar er toe leidde dat een groot deel van het beschikbaar komende bedrag werd geabsorbeerd door de reis-, verblijf- en andere kosten van zendboden naar verschillende landen, waarna door thans wijlen de heeren Isaac(?) Lehren en Abraham Prins pogingen werden in het werk gesteld om in dien toestand verbetering te brengen;
dat voornamelijk door den buitengewonen ijver en wilskracht van den heer Hirschel Lehren, die kosten noch moeite spaarde om tot een bevredigend resultaat te geraken, een kapitaal werd bijeen gebracht en daarmede een stichting werd in het leven geroepen, welke stichting ten doel heeft de inzameling in verschillende landen van gelden ten behoeve van behoeftige Israëlieten in Palestina, gevestigd is te Amsterdam en den naam draagt van:
„Pekidim en Amarcalim der Israëlietische Gemeenten in het Heilige Land”.
„Pekidim en Amarcalim” af gekort „Pikoeam”, betekent eigenlijk „beambten en opzichters”. Bedoeld is dan: „van de gelden, die werden bijeengebracht tot ondersteuning van behoeftige Joden in het Heilige Land”. Vooral in de 18e eeuw waren bij voortduring — ook uit Amsterdam — Joden (soms groepsgewijze) naar Palestina getrokken. Omdat zij daar in de regel niet in hun levensonderhoud konden voorzien, waren zij aangewezen op ondersteuning vanwege de Gola. De Pekidim-organisatie werd speciaal in het leven geroepen voor steun aan Joden, die uit West-Europa (Nederland en Duitsland) afkomstig waren. „Kolel” (= gemeenschap) noemde men de nationale groepen, waarvan de leden recht konden doen gelden op een aandeel van de uit bepaalde landen binnengekomen gelden. De groep, die door de Pekidim werd gesteund, werd Kolel HuD genoemd, HuD, een abbreviatuur van Holland und Deutschland.
In 1859 verwierven de Lehrens in de oude stad van Jeruzalem een stuk grond, waarop
78