Sülle! Nur der Seneschall,
(Vulgo Synagogendiener)
Springt geschäftig auf und nieder, Um die Lampen anzuzünden.
Ik weet geen gedicht zóó rijk van verlangen: „Die ons plunderen wilden de grove horden Zullen geslagen en geplunderd worden Spot voor volkren en buit voor vogels hangen.
Trostverheiszend goldne Lichter, Wie sie glänzen, wie sie glimmern! Stolz aufflackern auch die Kerzen Auf der Brüstung des Almemors.
Een blos bloeit over uw tedere wangen Mijn Volk, mijn Vriend, geen die van schaamte brandt, Maar van vreugde, dat wij na ’t eindloos lange Onveilig zwerven keeren naar ons land.
Vor dem Schreine, der die Thora Aufbewahret und verhängt ist Mit der kostbar seidnen Decke, Die von Edelsteinen funkelt —
Links en rechts breiden wij de landen uit Rustig en rijk van onze heerschappij Ten dage dat het Hooge Volk weer vrij Geschaard trekt bij het Bazuinengeluid.”
Dort an seinem Betpultständer Steht schon der Gemeindesänger; Schmuckes Männchen, das sein schwarzes Mäntelchen kokett geachselt.
Weer thuis hief ’k naar Moeder ten zegen ’t hoofd, Want ik was toen kleiner dan mijne Moeder,
En zij bad smeekend tot den Albehoeder
Die den Sabbath schiep, wiens Naam zij geloofd.
Um die weisze Hand zu zeigen, Haspelt er am Halse, seltsam An die Schlaf den Zeigefinger,
An die Kehl* den Daumen drückend.
Dat geen vijand des daags mij zou verrassen, Pagad Balajloo in den Nacht niet naken Dat Hij mij trouw liet blijven en zou maken Machtiger dan Ephraim en Manasse.
Trällert vor sich hin ganz leise, Bis er endlich lautauf jubelnd Seine Stimm’ erhebt und singt: Lecho Daudi Likras Kalle!
Al jeugd vergaat. Moeder ik ben verdwaald, Mijn heete handen tasten in het duister. Moeder, ik wil weer terug naar den luister, Die van onzen heiligen Sabbath straalt.
140