Uit Prinzessin Sabbat van Heinrich Heine (1797—18516):
Uit Sabbath van de Nederlands-Joodse dichter Jacob Israël de Haan (1881—1924):
Prinzessin Sabbat
Im Arabiens Märchenbuche Sehen wir verwünschte Prinzen,
Die zu Zeiten ihre schöne Urgestalt zurückgewinnen:
Das behaarte Ungeheuer Ist ein Königsohn geworden, Schmuckreich glänzend angekleidet, Auch verliebt die Flöte blasend.
Doch die Zauberfrist zerrinnt,
Und wir schauen plötzlich wieder Seine königliche Hoheit In ein Ungetüm verzottelt.
Einen Prinzen solchen Schicksals Singt mein Lied. Er ist geheiszen Israel. Ihn hat verwandelt Hexenspruch in einen Hund.
Hund mit hündischen Gedanken,
Kötert er die ganze Woche Durch des Lebens Kot und Kehricht, Gassenbuben zum Gespötte.
Aber jeden Freitag Abend ln der Dämmrungstunde, plötzlich Weicht der Zauber, und der Hund Wird aufs Neu’ ein menschlich Wesen.
Mensch mit menschlichen Gefühlen, Mit erhobnem Haupt und Herzen, Festlich, reinlich schier gekleidet,
Tritt er in des Vaters Halle.
„Sei gegrüszt, geliebte Halle Meines königlichen Vaters!
Zelte Jacobs, Eure heil’gen Eingangspfosten küszt mein Mund!”
Durch das Haus geheimnisvoll Zieht ein Wispern und ein Weben,
Und der unsichtbare Hausherr Atmet schaurig in der Stille.
Sabbath
Heilige Dag, die na zorgvolle week Als een Vriend komt in onze schoone woningen Van de armst en onzer maakt Gij rijke koningen Waar wij ballingen zijn van streek tot streek.
Heilige Dag, uw klare luister spreidt Over alle dagen een teedre gloor Van Schoonheid en uw Licht blinkt eeuwig door Het Duister, dat zich over ons Volk breidt.
Ik, een Dichter, wil uwe Schoonheid prijzen Sabbath, mijn Vriend, God moge mij vergeven En mijn vrienden de dwaling van ons leven Om ’t reukoffer van mijn geurige wijzen.
Holland is heerlijk in den zachten zomer Als alle dagen bont-bloeiend zijn, geurig Van rozen en van lichte vreugden kleurig,
Gij waart, mijn Vriend, zonniger en nog schooner.
Onder uw zonnevleugels vinden rust De vernederden van mijn volk. Verslagen Dwalen zij mateloos. Maar na zes dagen Stilt Gij hun leed en geeft hun vrede en lust.
En in den Winter, als de dagen duister Schemeren over deze lage landen Liet Moeder vroeg de Sabbathlampen branden En bracht in huis eenen feestelijken luister.
Zij brak het heilig brood, en naar het Licht Hief zij heur handen, zeegnend uitgespreid,
Dan was de heilige rust ingewijd,
Er bloeide een vreugd over Moeders gezicht.
Tedere blos over haar bleeke wangen,
De Sabbath komt. Nu rust al zorg en werk
Vader en ik gingen naar onze kerk
Hem, die dezen dag schiep, danken met zangen.
Heerlijkst van al is ’t heuglijk Sabbathlied,
Geen Hollandsch lied is zóó wonder van wijs Noch één van David Jonathan tot prijs Schoon als dit van Alkabitz den Leviet.
139