meer voor iedereen duidelijk. „Der Feind macht uns zum Volk” — aldus Theodor Herzl eenmaal. Hij bedoelde, dat de mislukking van de Emancipatie het Joodse Vraagstuk steeds scherper had gesteld en dat de minderheidspositie van de diaspora-gemeenschap-pen geen waarborgen kon bieden voor een gezonde status van ons volk. Dat kon alleen een Joods land (voor Herzl was dit aanvankelijk nog niet eens het Joodse land) waar wij een meerderheid zouden vormen. Met de stichting van de Mediena werd dit ideaal zonder meer vervuld, waarbij wij in het midden laten of het Joodse vraagstuk inderdaad is opgelost. Maar zelfs als wij daarvan uitgaan (ons stellende op het standpunt, dat iedere Jood naar zijn eigen land kan trekken) dan nog resteren problemen. Want er zijn nu eenmaal vele Joden, die in de diaspora zijn gebleven en voorlopig zullen blijven. Heeft Israël ook voor hen alle vraagstukken opgelost, of zijn er misschien nieuwe opgetreden ?
Het is wellicht gewaagd hier te poneren, dat Israël voor ons in één belangrijk opzicht onze positie juist heeft verzwakt in vergelijking met de situatie vóór 1948. In een periode dat Joden door het Joodse Vraagstuk gedwongen konden zijn zich te richten op de nationale oplossing daarvan, was er gedurig sprake van een „heroïscher Existenz”, van een zich benauwd weten en een zich daarom fel richten van uit een pijnigend galoeth naar een schone toekomst, hoe onwerkelijk deze ook voor velen was en kon zijn. Deze „dwang-situatie”, waarin een enorme kracht verborgen lag, is totaal verdwenen. Zeker in het na-oorlogse Nederland. Er is een bestaande Joodse toekomst en er ontbreekt een scherp Joods vraagstuk. Sterker (zie boven) er is begrip gegroeid voor de eigenaardige status der Joden en er is niemand (Jood noch Goj), die in waarheid zou willen geloven, dat in de propaganda voor Israël het pijnlijke element verborgen zou liggen de Joden („onze” Joden) kwijt te raken. Er is eerbied gegroeid voor het Oude Volk en in his-torisch-theologische bezinning wordt gedacht aan „het Israël in het Westen”. Maar wat
betekent dit anders dan dat het oude Galoet-bewustzijn dreigt te vervallen ?
En nog een kracht dreigt te vervallen. Wij bedoelen de zeer positieve verbondenheid van alle Joden met elkander. De nieuwe generatie van Israël heeft zich geheel in de stijl van twintigste eeuws nationalisme geëvolueerd. Een griezelige tegenstelling Jood-Israëli dient zich aan. In de levensbeschouwing van een tegenwoordige Jood kan wel gedroomd worden over Zion in de zin, waarin het vroegere Zionisme dit mogelijk maakte, maar op jonge arbeiders in de Emek maakt dit een belachelijke indruk. Het is niet toevallig, dat de term „Tsionoeth” (Zionisme) een equivalent is geworden voor „onzin”!
Tegen deze achtergrond komt dan de vraag naar voren: aan welke eisen dient iemand te voldoen, om zich met recht Jood te mogen noemen.
Wij keren voor het antwoord terug naar de Joodse Geschiedenis. Basis voor de erkenning van het Jood-zijn blijft het totaal van ervaringen, dat ons volk in een eeuwenlange historie tot een bijzonder volk heeft gestempeld. In deze ervaringen blijve het galoeth-bewustzijn primair. Het Joodse volk is nog steeds in ballingschap, dat wil dus zeggen, dat het galoeth als fase in onze geschiedenis ook na 1948 is blijven bestaan. De Emancipatie der Joden suggereerde slechts een wijziging, die door de historie op verschrikkelijke wijze werd gecorrigeerd. Wat vele tegenstanders van de gelijkstelling (Joden zowel als niet-Joden) in de 18e eeuw als bezwaren formuleerden, bleek in het vervolg der
136