kamp, die als officier in het Nederlandse leger gedurende de meidagen van 1940 zou vallen, het volgende:
„De tijd, dat Zionistische bijeenkomsten opgeluisterd werden door Beethoven en Chopin, begint achter ons te liggen — gelukkig. Daaruit spreekt de aanvaarding van het anders-zijn, en de demonstratie van dat anders-zijn; de overtuiging dat, wat het Jodendom te bieden heeft in wezen gelijkwaardig is aan de niet-Joodse cultuur. Zo beschouwd vindt de liefde voor Joodse cultuur haar rechtvaardiging als een uiting van ons zoeken naar het Jodendom, waarvan velen van ons zo ver zijn komen te staan.
Hieruit volgt het standpunt dat wij moeten innemen ten opzichte van elke stroming, die niet: terugkeer tot het Jodendom, maar integendeel: hervorming van het Jodendom predikt.
Als zodanig is te beschouwen elke poging om de overgeleverde godsdienst en zijn gebruiken te wijzigen — niet om de godsdienst Joodser te maken, maar om hem aantrekkelijk te maken voor hen, die van de oude vormen vervreemd zijn.
Het is in wezen het omgekeerde van wat zich onder ons Zionisten voltrekt. Bij ons een terugkeer naar Joodse uitingsvormen — omdat zij Joods zijn. Aan de andere zijde de eis van ontjoodsing van de vormen, omdat de eisers ontjoodst zijn. Men zou het eerste önvoorwaardelijk, het tweede voorwaardelijk Jodendom kunnen noemen. De traditionele Joodse godsdienst is in de loop der eeuwen zeker niet ongerept gebleven. Niet-Joodse invloeden zijn er wel degelijk werkzaam geweest. Maar als geheel is de Joodse godsdienst radicaal verschillend gebleven van alle denkbare Westerse godsdienstvormen. De laatste zijn een aangelegenheid van de Zondagmorgen; het Jodendom is in wezen een levensvorm van elke dag, van elk uur. De kerkganger is passief; de Jood neemt zelf deel aan alle godsdienstige handelingen. De gemoedsbeweging van de Westerling uit zich in plechtige stilte en inkeer; die van de Jood in actie.
Voor een groot aantal Joden is door een historisch proces de orthodoxe sfeer vreemd geworden. Voorzover deze Joden echter het Jodendom blijven aanvaarden, erkennen zij ook — zij het platonisch — de gerechtvaardigheid der traditionele vormen, volgens welke een onafzienbare rij van vorige geslachten hun godsdienst beleden hebben, en geslachten na hen het zullen doen. Wanneer religieuze behoefte hen ertoe dringt, zullen zij zich die vormen weer eigen willen maken en er ongetwijfeld een levende betekenis in terug vinden.
Tot geheel andere resultaten komt men, wanneer men de „redelijkheid” van die vormen subjectief gaat onderzoeken. Immers, de rede is de functie van de mens, die het meest onderworpen is aan beïnvloeding door de omgeving en door de „tijdgeest”. Ook al zijn er in de verstrooiing resten van Joodse geaardheid, gevoel, intuïtie bewaard gebleven — onze concrete, beredeneerde ideeën over wat goed en slecht, logisch en onlogisch, zin en onzin, verheven en banaal is, zijn volledig bepaald door een niet-Joodse omgeving.
Wat is reform? De herziening van de godsdienstige vormen; de verwerping van wat men als achterlijk, zinledig, banaal, onredelijk beschouwt; aanvaarding en uitbreiding van wat als goed, verheven, zinrijk gevoeld wordt. Veel van wat in eeuwen de intuïtie van ongetwijfeld Joodser geslachten dan het onze als zijn uitingsvorm gekozen heeft, wordt overboord geworpen als nutteloze ballast; en men stelt er eigen bedenksels voor in de plaats: datgene, wat men meent slechts de uiting te zijn van persoonlijke religieuze behoefte maar dat zal blijken te zijn een radicale ontjoodsing en daardoor uitholling van de godsdienst.
Uiterlijk en innerlijk beweegt zich de reformsjoel in rechte lijn naar de vrije gemeente: rustig, modern, beschaafd, koud - onjoods. Men zou de reform te veel eer bewijzen met te zeggen dat hij de assimilatie versnelt; want die verloopt toch reeds in het snelst denkbare tempo. Tot het schrikbeeld van de doop zal de reform wel nauwelijks leiden; dit station op het traject der ontjoodsing slaat men tegenwoordig zonder bezwaar over, sinds zovele „verlichte” Nederlanders in ’t geheel geen godsdienst aanhangen. De reform is niet meer dan een symptoom in het assimilatieproces.
De conclusie moet zijn, dat het Zionisme medebrengt het aanvaarden van, en de nadruk leggen op het Jood-zijn en daarmede op het Joods doen, ook waar dit betekent: anders doen dan de omgevende wereld. Het kan niet geduld worden, dat de naam van het Zionisme in verband gebracht wordt met
131