Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Titel
Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Jaar
1964

Pagina's
138



Het Seminarium kreeg na de dood van Lion Wagenaar geen rector meer. Het conrec-toraat was reeds sedert 1926 in handen van Dr. Izak de Jongh (1884—1943). In 1909 had hij het Moré-examen afgelegd. Daarna voltooide hij zijn klassieke studiën aan de Amsterdamse Universiteit. Hij promoveerde in 1925 tot Doctor in de klassieke letteren; de eerste Moré, die tevens een academische studie heeft voltooid. Na Wagenaars dood werd hem wel het rectoraat aangeboden, doch hij weigerde. Voortreffelijk docent naar beide richtingen (klassieke letteren èn Talmoed) voelde hij het leraarschap als de roeping van zijn leven. Hij begreep als zovelen, dat het Seminarium voor de opleiding van zijn leerlingen nieuw bloed nodig had. De komst van Dr. Jakob Neubauer uit Würzburg werd door hem dan ook als noodzakelijk gezien en toegejuicht.

De catastrofe kwam te snel om achteraf te kunnen vaststellen of het Dr. Neubauer zou zijn gelukt een zelfde regeneratieproces te bewerkstelligen als Dlinner in 1862. Wel mogen wij concluderen, dat deze grote Joodse persoonlijkheid in de Rabbijnenschool iets nieuws vermocht te brengen. Hij oriënteerde zijn leerlingen niet slechts op de Joodse wetenschap buiten de enge Nederlandse grenzen; hij bracht ook het contact met een levend Jodendom, dat het Seminarium maar al te zeer behoefde. Zijn invloed was blijvend op zijn leerlingen, maar niet minder op een brede groepering jongeren, die hij thuis om zich wist te verzamelen.

De jaren na 1933 hadden de ogen der Amsterdamse Joden toch al geopend naar de grote Joodse wereld. Talloze vluchtelingen kwamen naar hier en confronteerden ons allen met het bekende lot. De persorganen van het Joodse Amsterdam registreerden de ernstige feiten. Het niveau daarvan was niet altijd imponerend. Een zeer gunstige uitzondering vormde het Orgaan van de Joodse Vrouwenraad in Nederland, Ha’lscha, dat tot de oorlog op voortreffelijke wijze werd geredigeerd en waarin ook diverse emigranten aan het woord kwamen. Het handhaven van journalistiek peil bleek in het Amsterdamse Jodendom niet zo eenvoudig. Een populair wetenschappelijk weekblad als De Vrijdagavond moest tijdens de 9e Jaargang (nota bene: 1932) zijn verschijnen staken. Van de politieke organen was het vooral de Zionistische Joodsche Wachter, die onder redactie van F. Bern-stein verantwoorde voorlichting gaf over de situatie van het Joodse volk.

Maar het staatkundige Zionisme kon tenslotte niet voldoen aan de groter wordende honger naar „Jiddischkat”. Evenmin als dit de koele Reglementen van onze Kehilla vermochten. Een geslacht, dat door het scherpe Joodse vraagstuk naar zijn volk teruggedreven was, begon te vragen naar de zin van het Joodse lijden, naar de zin van de Joodse geschiedenis. Vormden wij slechts een „Schicksalsgemeinschaft”, of was er ook een Joodse cultuur? En wat betekende eigenlijk die Joodse godsdienst, die Sjoel, die symboliek......

Weer kwam onder invloed van de Duitse emigranten de vraag naar de Reform op. Dezelfde vraag, die een eeuw geleden al was gesteld en waarop door Dünner een beslist en negatief antwoord was gegeven. Was het Nederlandse Jodendom nog in staat tot zulk een reactie ? Zij kwam, maar —onbegrijpelijk, doch verheugend teken — van de uiterste periferie!

In Bad er e ch, het officieel orgaan van de Nederlandse Zionistische Studentenorganisatie en het leidersorgaan van de Joodse Jeugdfederatie in Nederland, schreef Ir. P. J. Dene-

130

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.