Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Titel
Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Jaar
1964

Pagina's
138



Dr. David Mozes Sluys (1872—1943) was achter de Kerkelijke autoriteiten de sterke man. Zijn loopbaan schijnt ons merkwaardig. Hij ontving zijn opleiding aan het Seminarium en werd augustus 1892 toegelaten tot de graad van Magid. In 1904 promoveerde hij — na een voortreffelijke academische studie — tot Doctor in de klassieke letteren op een proefschrift De Maccabaeorum Libris I en II Quaestiones. Hij verwierf niet alleen het predicaat „cum laude”, doch ontving tevens van de faculteit een waarderend schrijven, waarin zijn scherpzinnigheid en zelfstandig wetenschappelijk vermogen nog eens nadrukkelijk werden onderstreept. Men dacht aan de mogelijkheden van een professoraat. Voor ons is intussen het Voorwoord van de dissertatie opmerkelijk, omdat daarin — vóór al zijn andere leraren en hoogleraren — hulde wordt gebracht aan „amicissimus magister meus” J. H. Dünner.

De ambities van deze klassicus gingen wel in een klassieke richting, doch in een andere dan werd gesuggereerd in het schrijven van de literaire faculteit. David Sluys zocht het erfgoed der „Maccabaeën” op en wel in het Amsterdam, waar zijn directe voorouders zo lang hadden gewoond. En vele „quaestiones” zijn daarvan het gevolg geweest. In 1912 werd hij secretaris van de Kille en hij bleef dat tot 1942. Reeds in 1906 werd hij adjunct-secretaris van de Centrale Commissie, een benoeming, die noodzakelijk was geworden in verband met de hoge ouderdom van de toenmalige functionaris Van Ameringen. Later volgde hij deze op.

In Kille en Kerkgenootschap was Dr. Sluys de grote drijvende en leidende figuur. Kritiek is hem niet bespaard gebleven, vooral van de zijde der Zionisten. Wij, die ook zijn leven op afstand kunnen zien, zijn tenslotte gefrappeerd door de werkkracht en de liefde, waarmee deze erudiete figuur de Joodse gemeenschap heeft willen dienen, op zijn wijze. De vele studiën, die Sluys heeft gepubliceerd over de historie van „zijn” Gemeente leggen daarvan blijvend getuigenis af.

Als wij nu afstappen van het organisatorische raam der Joodse gemeenschap en ons begeven naar het eigenlijke hart van een Joodse Kille, dan treft het ons — bij alle distantie — dat hier nog waarden aanwezig waren, die zich zonder meer kunnen voegen in een Joodse traditie van een Gemeente, die ondertussen al drie eeuwen oud was geworden. Er werd nog „gelernt”. Talloos waren de chewres misschien niet, maar er waren toch nog altijd groepen en groepjes, die zich verenigden om de oude Leer van Mozes, die eens het centrum was geweest van de voormalige autonome gemeenschap.

Uit de late 18e eeuw bestond de „Gemore-chewre”, waarvan het Pinkas-boek bewaard bleef. De „Misjnajes-chewre” hield regelmatig haar bijeenkomsten. „Reisjies-Chogme” existeerde, een chewre, die haar bestaan terugvoerde naar het begin van de vorige eeuw. „Hougei Das” vormde een intieme groep, die bij particulieren thuis samenkwam voor de studie, zoals dat in vroegere eeuwen op grotere schaal gebruikelijk was geweest. In de Rapenburgerstraat stond sedert 1883 het gebouw van het Beth Hamidrasj, late rest van een initiatief van vroegere grote Rabbonem. In de fraaie bibliotheek werd nog wel gestudeerd; beneden kwamen dagelijks de Amsterdamse Rabbaniem tezamen. In één van de zalen sprak ’s avonds soms Rabbijn Dr. Meijer de Hond, deze unieke pastor, deze rebbe van de overblijfselen van de Joodse „vierde stand”.

129

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.