Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Titel
Moeder in Israël - een geschiedenis van het Amsterdamse Asjkenazische jodendom

Jaar
1964

Pagina's
138



IN DE SCHADUW VAN HITLER

De teneur van de laatste alinea’s heeft ons reeds verplaats naar de beklemmende atmosfeer van de jaren voor 1940. Bij onze slot-analyse zullen wij echter eerst moeten trachten wederom aansluiting te vinden bij de grote lijnen van de ontwikkeling, die het Nederlandse (Amsterdamse) Jodendom doormaakte, sedert Dr. Dünner in 1911 zijn ogen had gesloten. Achteraf is het zo gemakkelijk conclusies te trekken en historische schemata op te stellen. Zegt niet een puntig woord, dat een historicus een „rückschauender Prophet” is?

Wij weten al, hoe het Seminarium-probleem werd opgelost. Voor het Opperrabbinaat lag dit niet zo eenvoudig. Aanvankelijk werd het ambt waargenomen door de Rabbijnen Abraham Samson Onderwijzer (1862—1934) en Joël Vredenburg (1866—1940). De beide namen leven bij ons nog voort in het „Chommesj van Onderwijzer” en het „Chom-mesj van Vredenburg”.

Vooral het eerste werk (vertaling van de Pentateuch, met een verklarende vertaling van Rasjie’s Pentateuch-Commentaar) imponeert nog steeds. Het is een echt „balbattisch” boek van allure. Het verscheen van 1895 tot 1901; Rabbijn Onderwijzer was toen nog een betrekkelijk jonge man, die in een later stadium tevens zou bewijzen, dat hij ook talmoe-disch zijn sporen had verdiend( wij bedoelen zijn studie „Binjan Aw” in de feestbundel L. Wagenaar). Op het nippertje werd hij tot Opperrabbijn gekozen (33 van de 58 stemmen!). Op 3 juni 1917 werd hij geïnstalleerd als Raw van Amsterdam. De beste keuze, die men had kunnen doen. 1)

In Onderwijzer kwamen de voordelen en de nadelen van het na-Dünnerse tijdvak in een gelukkige synthese samen. Hij was een zeer harmonische persoonlijkheid, die naar binnen en naar buiten gezag vertegenwoordigde. Uitermate representatief, was deze patriarchale verschijning tezelfder tijd een „Lamden”, die zich ook op het talmoedische terrein kon meten met de Rabbaniem uit West-Europa.

Eenvoudig was zijn werkkring niet. De desintegratie-verschijnselen van het begin der eeuw hadden zich doorgezet. De Kehilla, die in naam over tienduizenden lidmaten beschikte, vormde nog slechts een zeer wankel, uiterlijk geheel. Vooral het isolement in de Joodse wereld had de voorheen zo beroemde Kille van haar vroegere glans beroofd. Het scheen achteraf wezenlijk, dat Dr. Dünner zich zo sterk had „vernederlandst”, ook en vooral op het gebied van de taal. Het Jiddisch, deze internationale brug tussen de Joden der diaspora, was totaal verdwenen. Van een eigenlijke Hebreeuwse renaissance door het Zionisme was evenmin veel gekomen. Oostjoden hadden de studie van het modern Hebreeuws naar Amsterdam gebracht; maar zij waren voorlopig eenlingen. Wel had hun komst na de pogroms van de jaren tachtig èn na de gruwelijke Jodenvervolgingen uit het begin van deze eeuw meegewerkt tot de groei van de nationaal-Joodse beweging, maar zij bleven — helaas — een vreemd element in dit Westen.

Hierin brachten ook de beide internationale traditionele bewegingen van deze eeuw weinig verandering. Wij bedoelen de Agoedas Jisro’eil (mei 1912 in Kattowitz opge-

127

1

Vgl. S. Seeligmann, O.R. A.S. Onderwijzer in de lijst van zijn tijd, Amsterdam 1935.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.