Moses de Lima” onder de hamer, in het huis aan de Rapenburgerstraat 126, waar de familie lange tijd had gewoond. Veertien dagen nam de veiling in beslag; een nuchter einde van een bewogen historie. Er waren vele bibliotheken voorgegaan, er zouden vele volgen maar er bleven toch ook enkele.
Seeligmann stond voortdurend in contact met het buitenland. In Nederland, in Amsterdam, stimuleerde hij tot het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap, dat tot 1940 zes bundels Bijdragen en Mededeelingen uitgaf, waarin het belangrijkste is verzameld van de wetenschappelijke prestaties op Judaïstisch gebied in dit land. De derde bundel vormt het F est schrift ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Rector Wagenaar (1925).
Van de door het Seminarium gevormde Rabbijnen was het tenslotte vooral Izak Maarsen (1892—1943), die op de voorgrond trad. Aanvankelijk onder leiding van Dünner, voltooide hij zijn studiën onder Gobits, die het Moré-examen van zijn bekwame leerling niet meer mocht beleven (17 december 1917). Twee jaar later werd Maarsen Rabbijn te Amsterdam. Vóór die tijd was hij een zeer gewaardeerd docent aan het Seminarium. In 1925 geïnstalleerd tot Opperrabbijn te ’s-Gravenhage, vond hij — naast een veeleisende werkkring — tijd voor wetenschappelijke publicaties, waarvan wij zijn tekst-editie van Rasjie’s Commentaar op verschillende Tenachboeken noemen.
Ook Maarsen had veel belangstelling voor de geschiedenis der Joden in Nederland, meer speciaal in Amsterdam, waar zijn familie eeuwenlang had gewoond (hij was de zoon van de populaire Wolf („Wollie”) Maarsen). Als zodanig werkte hij, evenals Hirschel, mee aan het verzamelwerk Geschiedenis der Joden in Nederland, onder redactie van H. Brugmans en A. Frank. In wezen was dit boek bedoeld als een apologetisch verweer tegen het Nationaal Socialisme, dat zijn schaduwen vooruitwierp.
„Wij hebben — aldus de redactie in een Ter Verantwoording — de positie van de Joden in Nederland gezien met haar twee kanten: enerzijds de intern-Joodse kant, anderzijds de kant, die het Jodendom aan de buitenwereld heeft getoond. Isolement en wederzijds contact, isolement en assimilatie — ziedaar de beide polen, waartussen het Joodse leven in de Nederlandse diaspora zich voortdurend beweegt. Onzerzijds hebben wij gemeend, dat het historisch onnodig en onwenselijk is, een keuze te doen. Wij hebben willen vaststellen, hoe de spanning er steeds is geweest, veranderend van vorm in de opeenvolgende tijdperken, maar voortdurend aanwezig, en ook: bevruchtend over en weer. Zonder de Joodse zuurdesem zou Nederland armer zijn geweest — zonder Nederlands milieu zouden de Joden hier te lande anders zijn geworden.
Wederzijds contact en isolement zijn niet onverenigbaar. Wij zouden eerder zeggen: ze zijn nauwelijks te scheiden. Door taal en lotsgemeenschap van eeuwen is zelfs de principiële Zionist van vandaag in Nederland geworteld; de verzen van Jacob Israël de Haan ontlenen hun menselijke schoonheid juist aan die smart der verscheurdheid. En zelfs de onverschilligste assimilant zal op zekere ogenblikken een vonk voelen overspringen tussen Jood en Jood, een contact, dat hij met niemand anders zal kunnen voelen. Totale assimilatie is even ondenkbaar als totaal-Zionisme, „los van Nederland”, zolang men in het Nederlandse milieu blijft.”
126