(Menasseh ben Israël en Isaäc Aboab) belangrijke verzamelingen aanlegden. In de 18e en 19e eeuw ontwikkelde zich onder de vooral rijke Portugezen een soort bibliomanie, die leidde tot rariteitenkabinetten op velerlei grondslag. De stimulerende werking, die hiervan in de periode der romantiek kon uitgaan op het ontstaan van een Joodse „Altertums”- of geschiedeniswetenschap, bleef echter achterwege. Wat van deze verzamelwoede overging op latere geslachten, verengde tot een hardnekkige drang om het verleden bij elkander te schrapen. David Henriquez de Castro en David Montezinos — hoe onderscheiden hun beide verzamelingen waren — behoren tot dit genre. Ook Isaäc da Costa’s Hebraïca en vooral zijn Portugese en Spaans Judaica dienden uitsluitend als achtergrond van zijn persoonlijke, romantische omgeving.
Bij de Asjkenaziem ligt de neiging tot verzamelen vaak in een ander vlak. Bij de Lehrens en hun geestelijke verwanten overweegt de tendens tot de studie. „Limmoed Tora” vereist een apparaat. De wonderlijke geschiedenis van het „Or Zaroe’a”-manuscript verplaatst ons in een atmosfeer, waarin het Joodse boek nog leefde en tot dienst aan de wetenschap inspireerde. Op het eind van de 18e eeuw was dit handschrift in het bezit van Opperrabbijn Hirsch Levin te Berlijn, een zoon van een vroegere Opperrabbijn van Amsterdam. Deze schonk het aan zijn zoon, Opperrabbijn van Londen. Toen de laatste in 1794 overleed, werd het manuscript aan de vader per schip teruggezonden. Maar dit leed schipbreuk bij de Waddeneilanden en het handschrift spoelde aan land en kwam tenslotte in het bezit van een Jood te Lemmer, die het aan Hirschei Lehren verkocht. Na diens dood
erfde Akiba het, die de uitgave ervan verzorgde Nu is het in het bezit van de Rosen-
thaliana te Amsterdam. Met welk laatste feit wij wederom zijn gekomen tot het leven van Meijer Roest.
Want deze eerste conservator der Rosenthaliana, door wiens toedoen deze bibliotheek voor Amsterdam behouden bleef, kan worden beschouwd als de gangmaker van de „Wissenschaft des Judentums” in Nederland. Zijn eerder genoemde Israëlitische Letterbode is internationaal georiënteerd naar alle centra der Joodse wetenschap. Dünner werkte mee, evenals zijn leerlingen Wagenaar en Hoofiën. Maar ook figuren als Dr. Ad. Neubauer. Roest stond in gedurig contact met de grootmeester der Joodse bibliografie M. Steinschneider, die hij op de hoogte houdt van al zijn werkzaamheden te Amsterdam; ook van zijn pennestrijd met de Reform-dilettanten.
De opvolgers van Roest, J. M. Hillesum en L. Hirschel hebben zijn traditie voortgezet. Hirschel (Levie, genoemd Louis) was Wagenaars eerste leerling, die het Moré-examen met succes aflegde (31 december 1920). Sedert 1923 was hij aan de Bibliotheca Rosenthaliana verbonden, sedert 1930 als conservator. Hij werkte vooral op het gebied van de geschiedenis der Joden in Nederland.
Zo waren meerderen werkzaam en onder hen als prominente Sigmund Seeligmann, die bovendien de traditie van de particuliere bibliotheken van Amsterdam voortzette. Nog altijd kan een blik in Shlomo Shunami’s Bibliography of Jewish Bibliographies (Jeruzalem 1936) ons in enkele minuten overtuigen van het grote aantal aucties, dat in de loop van enkele tientallen jaren hier ter stede plaats vond. Ook al demonstreren al deze veilingen, dat de verzamelingen stuk voor stuk van het toneel verdwijnen. In 1899 kwamen „die reichhaltige Sammlungen Hebräischer und Jüdischer Bücher, Handschriften, nachgelassen van den ehrw. Herren Rabbi Meijer Lehren, Rabbi Akiba Lehren und Rabbi
125