narium; de eerbied voor het geestelijke ambt was tanende. Wagenaar ging letterlijk de boer op om leerlingen voor de school te werven.
Door „Principiën” („Sjittoth”) komt de student in aanraking met de meest uiteenlopende capita uit de Talmoed, die door zulk een principe verbonden worden. Dr. Dünner had al vroeger in de „Monatsschrift” gewezen op de evolutie van deze „Sjittoth” in het tijdperk der Amoraim. Wagenaar werkte deze gedachte origineel uit en hij publiceerde zijn resultaten; en niet alleen in Nederland. De Rector schreef een Hebreeuws, dat geschikt was voor modern-wetenschappelijke publicaties. Opgegroeid in de mozaiek-stijl der Nederlandse „Melietsa”, kneedde hij intuïtief deze houterige zinsbouw tot een aanvaardbaar-lenige taal. Want — zoals uit publicaties op literair-Joods gebied bleek — ook letterkundig beschikte hij over grote kwaliteiten. Oost-Joden, die zijn Hebreeuwse bijdragen lazen, wilden niet geloven, dat hij een geboren Hollander was.
Na dit alles is het duidelijk, dat Tenach hem moest boeien. Zijn lessen over Jesaja en Job herinner ik mij nog zeer goed. Zijn aantekeningen las hij voor uit simpele schoolcahiers met blauwe kaft. Hij zat dan min of meer ongemakkelijk op een brede oud-Hollandse leunstoel achter de katheder in de „Lou Jomoesj-kamer” op de eerste verdieping. Zijn volzinnen, met een zachte stem voorgedragen, deden dichterlijk aan.
Toen hij in de tweede Rabbijnenklas Ibn Ezra’s Commentaar op Koheleth behandelde, werden wij jongeren plotseling geconfronteerd met Wagenaars zeldzame, nuchtere, kritische aanleg. En al overtuigen al zijn emendaties misschien niet iedereen, zijn scherpzinnigheid zal door niemand in twijfel worden getrokken.
In 1932 werden onder de titel „E 1 o e Leachawa”, Studiën van L. Wagenaar, alle artikelen, die de Rector in het Maandblad van den Bond van Israël. Godsdienstonderwijzers in Nederland had gepubliceerd, uitgegeven, met inleiding en aantekeningen van L. Hirschel. Het is een mooi en veelzijdig boek, dat de positieve kwaliteiten van Dr. Dünners Seminarium na zovele jaren voortreffelijk illustreert.
WISSENSCHAFT DES JUDENTUMS
De naam van Hirschel bracht ons ongemerkt tot een nieuwe fase in de geschiedenis van het 20e eeuwse Jodendom in Nederland. Want wanneer in engere zin de talmoedische wetenschap in Nederland na het optreden van Dünner slechts zeer incidenteel tot resultaten is gekomen, op het bredere gebied van de Wissenschaft des Judentums waren er nog wel symptomen, die de moeite van het vermelden alleszins waard zijn. En ook hier bleek het optreden van Dünner van belang.
In Amsterdam heeft altijd belangstelling bestaan voor het gebied van het Jodendom in de meest wijde zin van het woord. Een bewijs daarvoor vormen de grote bibliotheken, waarvan de onstaansgeschiedenis niet ongecompliceerd kan worden genoemd. Wij hebben a priori te onderscheiden tussen Sefardische en Asjkenazische. De eerste dateren reeds van de 17e eeuw, toen zowel instituten (het Portugese Etz Haim) alsook particulieren
124