Gemeente naar deze prominente Rabbijn al de revue laten passeren. Hij kwam niet, evenmin als in een nog vroeger stadium zijn leermeester Jokef Ettlinger. De „gebroeders”, die nu al lang gestorven waren, hadden het wel geweten, maar Ettlinger en Hirsch niet minder. Het is nochtans een merkwaardige speling van de geschiedenis, dat Samson Raphaël Hirsch toch nog een grote greep zou krijgen op het Nederlandse en speciaal Amsterdamse Jodendom.
Reeds vóór het Opperrabbinaat van Dünner zijn er de eerste symptomen. In 1873 brengt Hirsch een Gutachten uit over het onderwijs te Amsterdam. De bekende Lamdan Liepman Prins verleende bemiddeling. Na 1874 is er meer. Maar vooral de komst van bepaalde Joodse jongemannen uit Frankfort am Main in de jaren tachtig zou van betekenis blijken. Zij kwamen in aanraking met kringen rondom het Seminarium en brachten de ideeën van Hirsch tot Dünners leerlingen. Ook de stichting van de orthodoxe jongelingenvereniging Mekour Chajjim moet in dit licht worden gezien. Alleen traditionele leden werden getolereerd; een typisch voorbeeld van „Trennung”.
Maar hierop alleen te wijzen, zou onrecht doen aan de historische werkelijkheid. Ook de
inhoud van de geschriften van Hirsch boeide. Boeide zelfs de jonge Zionisten! Wij
kunnen ons geen denkbeeld vormen van de honger naar Jodendom, die voelbaar werd in een geslacht van jongeren, dat zich wilde optrekken aan Joodse idealen. Er is een aantal artikelen bewaard van de dichter A. van Collem, die zó bezeten blijkt van een Joodse toekomst, dat hij plotseling blijft steken in zijn eigen woorden. Tot deze categorie geestdriftigen behoorde ook een der pioniers van het Nederlandse Zionisme, wiens persoonlijkheid thans geheel schijnt vergeten: Mr. Isodore Hen. Deze Zionist was het middelpunt van een groep geïnteresseerden in het werk van Hirsch en hij verzorgde de Nederlandse vertaling van de „Neunzehn Brief e”. Zij verscheen te Amsterdam bij Van Creveld in het jaar 1895.
De voorrede begint aldus:
En hiermede bied ik u deze vertaling aan. Veel invloed verwacht ik er niet van. Maar toch wil ik hopen. Hopen dat menige Joodsche knaap, menig Joodsch meisje daarin leze. Hopen dat al is het maar een hoogst enkele onzer niet-Joodsche broederen het eens ter hand neme. — Want ik zoude zoo gaarne zien dat ons Jodendom meer bekend werde, zoo in zijnen kring als daarbuiten. En dat één enkele jongeman het kon waardeeren. En één enkel Joodsch meisje het wilde lief hebben. En dat één, één enkel jong hart behouden bleven voor ons ideaal. En dat de nog-Joodsche jongelingen in dit boek zouden vinden een vast program voor hun leven en voor ’t leven van ’t toekomend geslacht. En dat de ouderen zouden zien en weten dat ’t Jodendom niet bestaat in den ritus, maar de ritus moet zijn om ’t Jodendom.
Ook de Zionisten borgden dus blijkbaar bij de Raw uit Frankfort, hoeveel te meer Dünners leerlingen, die het Jodendom moesten brengen. Vooral Tobias Tal en Wagenaar moeten uit deze Hirsch-mentaliteit begrepen worden. De eerste had reeds in 1893 een biografie van „Rabbiner Hirsch” het licht doen zien. Niet lang daarna gevolgd door een lezing in Mekour Chajjim over Het Zionisme van Joodsch-Historisch Standpunt. Een afwijzing, uiteraard, van het modern-Joodse nationalisme. De rest van het verhaal is maar al te duidelijk. Op het spoor van Hirsch volgden Dünners leerlingen een van hun Meester afwijkend pad.
121