RABBINER HIRSCH CONTRA DÜNNER
Was dit innige geloof in een nationaal-religieuze renaissance, dat uit de laatste woorden tot ons spreekt, nu bepalend voor het gehele Opperrabbinaat van de toen 72-jarige? Een vraag, die haar klemmende waarde verkrijgt tegen de achtergrond van het toch licht te constateren feit, dat deze stem in de grote Gemeente niet werd verhoord! Niet door de politiek-liberale burgers en evenmin door de proletariërs, welke laatsten bij duizenden de Kille hadden verlaten en zouden verlaten. Wat ons trouwens niet mag verbazen, omdat ook Dünner — deze jeugdvriend van Moses Hess — geen begrip kon opbrengen voor de maatschappelijke problematiek zijner dagen. In de sociale sector bieden zijn preken wel zeer weinig en die enkele keer, dat de Opperrabbijn zich met een speciaal vraagstuk occupeert (zoals de spoorwegstakingen van 1903) zijn we verbaasd over zoveel gebrek aan werkelijkheidszin. Dat hij eenmaal weigerde in te gaan op een verzoek van Domela Nieuwenhuis tot het houden van een openbaar debat over Socialisme en Jodendom verwondert ons niet. Beide figuren staan wel vele werelden van elkander af. En dan: Dr. Dünner als spreker in een felle, openbare vergadering van socialisten uit die bewogen tijd!
Maar ook zijn beschouwingen over het Zionisme bleven in de lucht hangen en zelfs zijn leerlingen, die D e Meester toch grenzeloos bewonderden, hielden zich oost-indisch doof. En zij produceerden een Cheirem tegen een Joodse levenshouding, die Dünners levensovertuiging bleek. Wij staan hier slechts schijnbaar voor raadselen. Want de biografie van Dr. Dünner blijft, zoals wij al eerder vaststelden, vóór alles de levensgeschiedenis van een geleerde, die door zijn gesloten karakter moeilijk toegankelijk bleek voor anderen, behoudens dan — zoals reeds gesteld — een kleine groep intimi, die op Sjabbesmiddag in het allerheiligste van deze patriarch mocht doordringen. A.B.K. heeft mij later vaak verteld van de merkwaardige sfeer, die er heerste. Van de toenmalige talmidim van het Seminarium verscheen er overigens niemand.
Het eerste geslacht der leerlingen had de Rabbijnenschool al lang verlaten. Wijnkoop — zijn gezworen vijand — was Rabbijn te Amsterdam. Tobias Tal— Opperrabbijn van Den Haag — was al in 1898 gestorven en in een iets later stadium opgevolgd door A. van Loen, die reeds in 1888 als Opperrabbijn van Groningen was benoemd. Wagenaar was al vroeg (te vroeg) naar Leeuwarden gegaan. Dat waren de voornaamsten. Maar ook de tweede generatie was al in de praktijk van het Rabbanoet gestapt. Onderwijzer werd reeds in 1888 Dajan te Amsterdam, Hamburg ging in 1904 naar Groningen: in datzelfde jaar werd Vredenburg als Rabbijn te Amsterdam geïnstalleerd, Rüdelsheim was in 1900 tot Raw van Friesland benoemd. In 1902 vertrok S. J. S. Hirsch naar Zwolle, in 1907 Heertjes naar Den Bosch.
Zo hadden de Rabbijnen door Dünner gevormd het Nederlandse Jodendom onder controle gekregen. De 19e eeuwse provinciale Rabbaniem, die vaak uit Duitsland afkomstig waren, waren vergeten. De reorganisatie van het Seminarium had haar vruchten af geworpen. De vraag was nu, op welke wijze deze jonge geestelijken hun taak zouden begrijpen en opvatten. Naar de zijde der traditie behoefde geen twijfel meer aanwezig te zijn. Daarvoor was Dünners vorming waarborg. Het vernieuwde Seminarium had een
119