geschreven. Dat deze jongeren om Dünner niet identiek waren met diens eigenlijke leerlingen, zal daarstraks nog nader blijken. Wij waren al pijnlijk verrast door de Cheirem van de Opperrabbijnen uit Dünners school!
Op 6 januari 1905 verscheen het eerste nummer van De ]oodsche Wachter, het latere officiële orgaan van de N.Z.B., dat toen nog genoemd werd Halfmaandelijkseh Orgaan voor Groot-Nederlands Jodendom, In het eerste nummer wordt Dünners brief opgenomen, gericht tot de Algemeene Vergadering van de Nederlandsche Zionistenbond, in reactie op een hem gezonden telegram van hulde. De brief luidt:
Amsterdam, 18 Tebeth ’65 25 Dec. '04
Weledelgeboren Heeren!
Met veel genoegen heb ik den inhoud van uw gewaardeerd telegram van heden aan mij gelezen. Mogen uwe pogingen evenals tot dusver ook in het vervolg veel tot herleving van den waarachtig Joodschen geest in breede kringen bijdragen. Dit wensch en hoop ik van ganscher harte. Met Tsions-groeten Uw toegenegene
J. H. Dünner
De redactie, die het bericht lanceert onder de titel „Een Opperrabbijn met nationaal gevoel”, eindigt met de mededeling: „Dit klinkt enigszins anders dan het communiqué der Opperrabbijnenvergadering.’’
Dünner deed meer. Omstreeks diezelfde tijd was een hevige pennestrijd uitgebroken tussen de Gelderse Opperrabbijn L. Wagenaar en de Haarlemse Rabbijn S. Ph. de Vries. Wagenaar had in een vlugschrift Lemaan T s i on („Open schrijven aan mijnen geachten Vriend en oud-Leerling, den Eerw. Heer S. Ph. de Vries, Rabbijn bij de Nederl. Israëlit. Gemeente te Haarlem”) zeer scherp gereageerd op de propaganda, die De Vries voor het Zionisme had gemaakt, ook van de kansel.
Dat de Opperrabbijn op de titelpagina duidelijk liet uitkomen, dat de baten ten goede zouden komen van „de armen van het Heilige Land”, doet een ietwat overdreven aan. De Vries heeft zich er niet veel van aangetrokken. Met een geharnast wederwoord trad hij voor het forum der Joodse publiciteit in Nederland. Zijn M a an e h L e - Z i o n, „Een betoog voor het Zionisme van Joodsch-traditioneel standpunt”, te Haarlem gedrukt bij de Zionistische drukker M. A. Jacobson, legt tot de dag van vandaag getuigenis af van een voorname, Joodse geesteshouding, die toen in het Nederlandse Jodendom uitzonderlijk was. Daaraan kon de kleingeestige beschuldiging van plagiaat, hem door Wagenaar in de schoenen geschoven, niets veranderen. Het is een touchante bijzonderheid, dat de bejaarde Rabbijn de Vries, die in Bergen Belsen omkwam, zijn correspondentie met de Arnhemse Opperrabbijn tot zijn allerlaatste dag bij zich heeft gedragen. Het allerbelangrijkste was intussen het „Inleidend Schrijven”, dat Dr. Dünner het boekje van zijn leerling De Vries meegaf en dat voorin werd afgedrukt. Het luidt:
„Eerwaarde Heer!
Oprechten dank zeg ik U voor het innige genoegen, dat gij mij door de lectuur van de handschriftelijke degelijke en schoone uiteenzetting van de beteekenis en de strekking van het Zionisme verschaft hebt. Immers aan de hand van onze godsdienstbronnen en het gezond verstand stelt gij in bezielende taal en op een waardigen toon in een helder licht, dat het streven van het Zionisme niet alleen niet
117