Zeker, ook hier een conventionele toon maar deze keer nu eens niet zonder geladenheid; juist in zijn bestrijding der orthodoxie.
Reeds vroeg is het Zionisme van de Raw aangevochten door een dubieuze woordvoerder als de „vader” der Joods-Nederlandse journalistiek, Philip Elte. Citeren wij hier slechts „Die Welt” van december 1898, waarin Dünner schrijft:
„Dieses Programm des Zionismus hat auf vielen Seiten eine ziemlich heftige Opposition hervorgerufen und unbegreifliche hartnäckige Anfeindungen erfahren... Wie? Die Schaffung einer öffentlich rechtlich gesicherten Heimstätte in Palästina sei eine Negierung der Messianischen Ver-heissungen? Unmöglich hätte dieser Gedanke in unseren Ahnen aufkommen können. Selbst die Stiftung eines jüdischen Staats im heiligen Lande würden sie, wenn sie nicht auf revolutionären Wege, sondern mit Bewilligung der Landesregierung zustande käme, als das höchste Glück betrachtet haben .. .”
In het Centraal Blad van 16 maart 1900, lezen we in de Zionistische kolommen:
„Slechts oratorische opwinding kan twijfel koesteren aan den ernst mijner sympathiebetuigingen voor het Zionisme onzer dagen, herhaaldelijk in onverbloemden taal op den kansel uitgesproken op de meest gewichtige dagen in ons godsdienstleven. Overigens heb ik niet alleen in predikatiën maar ook in een antwoord in Die Welt mijne zienswijze omtrent het Zionisme op Joodsch-wetenschappe-lijke gronden uiteengezet...”
Bij zijn dood schreef De Joodsche Wachter (20 oktober 1911):
„Hij was onze trots; en reeds daardoor was hij de kracht, die het Nederlandsch Jodendom bijeenhield en het gemaakt heeft tot wat het is. Wars van elke toegefelijkheid, die uit zwakte voortkomt, duldde hij geen duimbreed afwijken van den voorgeschreven weg. Zoo de Reform, alleen hier, nimmer wortel heeft gevat, zoo, althans hier, nimmer is toegegeven aan moderne denkbeelden, die zouden voeren tot verval van het oude en tegelijk van het nieuwe Jodendom, zoo is dit zijn werk geweest, de arbeid van zijn niets ontzienden, maar ook zelf nieuw leven wekkenden geest.
Het was deze strijd tegen de Reform, welks gevaar hij reeds in zijn jeugd ten volle doorzag, die hem eerst tot nationaal-Jood in den modernen zin van het woord, later tevens tot Zionist maakte. In zijn jongelingsjaren verkeerde hij in Bonn veel met Moses Hess, in wiens denkbeelden hij de redding voor het Jodendom zag. En toen de nieuwe beweging tot organisatie werd, toen het eerste Congres bijeenkwam als uiting van den ontwaakten Joodschen levenswil, toen sloot hij onmiddellijk zich aan bij de nieuw-gevormde organisatie, en werd, van zijn vroegste jeugd af Zionist, nu ook lid der Zionistische partij, die voor hem de groote levenskracht van het Joodsche volk en den wil tot bestrijding der vervreemding van volk en godsdienst vertegenwoordigde.
Niet in alle opzichten kan deze organisatie hem hebben bevredigd. Er waren vele uitingen, enkele daden wellicht ook, waartegen zijn diepste overtuiging en zijn onwankelbaar-sterk geloof in opstand kwam. Maar altijd zag hij boven woorden en personen uit de gemeenschappelijke gedachte, die in den arbeid verscholen was en dien arbeid bezielde. En steeds bleef hij sterk in zijn vertrouwen op de kracht en de overwinning van deze onze Joodsche volksidee.
Hij was niet onze leider in den eigenlijken zin van het woord en heeft nooit eenige waardigheid onder ons bekleed of begeerd. Maar nu hij is heengegaan, voelen wij ons vereenzaamd, als hadden wij onze grootste steun verloren. Want wij zagen op tot dezen mensch, gelijk wij opzien tot de eigen idee van het Jodendom, die ons levenslicht en onze levensarbeid geworden is.
Ook hij is gestorven, vóór hij de vervulling onzer idealen mocht aanschouwen. Maar nimmer sterft de geest, die in hem belichaming vond, de geest van het oude Jodendom, dien hij voortdroeg in zijn daden, en die eenmaal, onverzwakt, het nieuwe Jodendom zal terugvoeren naar het eigen land, waar wij onder de allergrootsten van ons volk ook hem zullen gedenken.”
110