Jodendoms te plaatsen en de leiding en aanvoering van het volk Gods ter hand te nemen? Hebben de aanzienlijksten en invloedrijksten onder hen niet geheel met onzen godsdienst gebroken? Beteekent hun verleden niet eene ontkenning der heiligheid des Jodendoms? Vertoont niet de lange weg van hun levensloop onnoemelijk vele sporen van moedwillige en diep ingrijpende overtredingen onzer godsdienstvoorschriften ? Verdient nu niet de niet benijdenswaardige staat, waarin het grootste gedeelte des Jodendoms zich thans bevindt, de voorkeur boven eene redding, die uit zulke handen komt? Zou het nu niet gewenschter en voordeeliger zijn, wanneer de van de dorst versmachtende knaap in de woestijn den verdienden dood stierf? Deze tegenwerpingen m. vr. deze verklaring van den af keer, dien deze geloofsbroederen van het streven der zionisten hebben, staan zeker veel hooger, hebben onbetwistbaar meer waarde, berusten ontegenzeggelijk op, zedelijk, betere grondslagen dan de zo even besprokene, die slechts een uitvloeisel van zwakheid en krachteloosheid zijn. Maar juister, gegronder en rechtvaardiger zijn zij geenszins. Niet het gedrag van de toekomst mag de maatstaf van waardeering en beoordeeling zijn, zoo luidt de zedelijke en wijze levensregel, dien volgens onze wijzen, het Opperwezen den engelen onder het oog bracht. Welnu, m. vr., nog minder rechtigt het gedrag van het verleden, over hen een streng vonnis te vellen, wier gedrag van heden, hoe onvolmaakt nog, ons bewondering afperst. Kunnen wij hun het recht ontzeggen, in de voorste rijen te strijden voor eene heilige zaak, voor het heil van duizenden en nogmaals duizenden ongelukkige broeders? Mogen wij hardvochtig zijn tegenover hen, in wier hart de liefde tot onzen stam, tot het heilig land vurig brandt, vuriger dan in zoovelen, die geen haar breed van onze godsdienstvoorschriften afwijken, maar van de goddelijke liefde, die het Joodsche gevoel verheft en adelt, niets in zich bespeuren? Hoe, wij willen hen uit onze gelederen stooten, die een moed ontwikkelen, waarvan het te wenschen ware, dat zij, die het hoogste woord in het Jodendom voeren, dien bezaten! Maar het geloof aan de overige waarheden des Jodendoms missen zij, het geloof aan de goddelijkheid onzer godsdienstwetten, het geloof aan onze eeuwige verplichting, deze stipt op te volgen, bezitten zij niet, verwerpen zij. Wij zouden kunnen vragen, waarom men niet gerust mag veronderstellen, dat ook in dit opzicht bij hen eene verandering intreden zal? Doch wij stellen deze vraag niet, omdat men ons herinneren zal aan den goddelijken levensregel: het gedrag der toekomst mag geen maatstaf zijn. Maar eene andere vraag: stellen wij ook een onderzoek in naar het geloof van uitmuntende, weldadige stamgenooten, wanneer wij in het belang van den behoeftigen geloofsgenoot hen om steun en bijstand smeken? Wenden wij ons, om den nood van een ongelukkige te lenigen, alleen tot hem, die, evenals wij van de waarheid van onzen godsdienst overtuigd is? Of zijn wij innig dankbaar voor de hulp die ons van deze zijde komt? Of koesteren wij voor de edele welwillendheid, ons daar ten deel gevallen, de grootste erkentelijkheid? En toch onderstelt het oefenen der weldadigheid in den gewonen zin des woords slechts een warm hart en goeden wil, vereischt echter volstrekt niet buitengewonen moed en heldhaftig besluit, afgezien nog van de aangename belooning, die de weldadige vindt in den roem, in den lof, hem toegezwaaid. En deze broeders nu, die zich door hun streven, hun vervolgden stamgenooten een duurzaam, rustig en verheffend bestaan te verzekeren, aan de aanvallen en aantijgingen van de geheele wereld blootstellen, deze broeders nu zouden wij met vijandigheden en hatelijkheden bejegenen? Het is waar, deze afkeurenswaardige uitingen zijn in Nederland vreemd. Wij werpen den knaap niet driftig, niet verontwaardigd, maar kalm, bedaard en onverschillig weg. Terwijl hij met luider stem ook naar onzen bijstand roept, blijven wij op verren afstand zitten, werkeloos, ongevoelig, doof voor zijn bidden en smeeken, in de verwachting, dat het dierbare kind van den wakker geworden Joodsch nationalen geest, van dorst sterven zal. Doch, m. vr., deze knaap zal niet sterven. De geest, die hem bezielt, is de geest, wiens verschijning de profeten voor duizende jaren voorspeld hebben. Deze heerlijke plant is alleszins eerst in haar ontkiemen, maar zal zich langzamerhand, onophoudelijk tot bloei en glans ontwikkelen. De teedere knaap, die thans verlaten onder de boomen ligt, zal tot een groot volk worden. Want ziet, evenals de oude, droevige profetische voorspelling, waarvan wij in den beginne dezer rede spraken, tot voor korten tijd als een ongeloofelijk feit beschouwd, voor onze oogen ingetreden is, evenzeer zal ook de profetische verzekering, dat de liefde tot Zion in het hart van het afvallige Israël ontbranden zal, bewaarheid worden. Van daar, dat ook tot u de hemelsche stem gericht is: Staat op, neemt den knaap, ondersteunt hem naar kracht en vermogen. Moge uwe onverschilligheid plaats maken voor warme en krachtdadige deelneming aan het reddingswerk voor uwe onderdrukte en vervolgde broeders. Amen.”
109