ZIONISTEN
En het Zionisme dan, dat we hier en daar al zijdelings hebben geraakt? Het kreeg in het laatste decennium van de eeuw nauwelijks een kans. De pogroms uit de jaren tachtig hadden ook hier wel enige verontrusting gewekt, maar het duurde nog even, voordat enkelingen begrepen, dat een nieuwe Joodse toekomst eisen ging stellen. Enkelingen — onder wie Dr. Dünner. Want wat dan ook in het midden mag zijn gebracht over diens isolement, de oude vriend van Moses Hess begreep en voelde de crisis van dit laat-19e eeuwse Jodendom maar al te goed. Reeds op de eerste dag van Rosj Hasjana 1898 hield hij zijn eerste preek over De Zionisten, die in het Centraal Blad van vrijdag 23 september werd gepubliceerd. Fundamenteel het slot van de voordracht, die was geïnspireerd op Genesis 21 : 18, „Sta op, neem den knaap en ondersteun hem met Uwe hand, want tot een groot volk zal ik hem maken.
„M. vr. Wanneer men de redenen nagaat, waarom goede en voortreffelijke geloovigen onder onze broeders in de beschaafde landen de weerzinwekkende handeling, het wegwerpen van den teederen knaap, plegen, wanneer men doorgedrongen is tot de eigenlijke motieven der ongevoelige zelfs vijandige bejegening der mannen, die met vurigen ijver voor het Joodsche ideaal, de opstanding van Zion en Jeruzalem optreden en werken, dan ontdekt men, dat het twee verschillende bronnen zijn, waaruit deze vloeien. In de landen, waar de Jodenhaat uit het graf der middeneeuwen verrezen, maar in een modern kleed gehuld, elke beweging van den Israëliet bespiedt en in eiken bijzonderen stap van den Joodschen medeburger een liefdelooze bedoeling tegen andere gezindten ziet, waken er onze geloofs-genooten met de meeste angstvalligheid voor, dat in hun midden niets geschiede, in hun kringen niets ondernomen worde in de verste verte geschikt, der lastertaal hunner aartsvijanden een schijn van waarheid te verleenen.
Zelfs de meest onschuldige, ja ook de loffelijkste gemoedsuitingen worden onderdrukt, zoo zij het kenmerk van het echt Joodsche gevoel dragen. Natuurlijk derhalve, dat het streven der zionisten, deze welsprekende uiting van het Joodsche nationaal gevoel, den vreesachtigen schrik en angst aanjaagt. De zionisten zijn in hunne oogen de gevaarlijkste brandstichters, die men met alle ter beschikking staande middelen bestrijden en onschadelijk maken moet. Door deze gedachte worden geleid en beheerst niet alleen zij, die met het Jodendom innerlijk en uiterlijk in geenerlei verband willen staan, maar ook zij, die aan onze heilige traditiën gehecht zijn. Maar deze wagen het natuurlijk niet, zich zelven te bekennen, dat zij om politieke redenen de verwezenlijking van een der schoonste idealen gaarne zouden verhinderen. Om zich in hun eigen oogen te rechtvaardigen zoeken zij in den boezem hunner godsdienstige overtuiging naar argumenten. En men weet het, hem die beschuldigde en rechter over zich zelven tegelijker tijd is, valt het niet moeilijk gronden voor vrijspraak te vinden. En hoe zwakker deze gronden zijn, des te scherper en heviger de toon der verdediging. Vandaar ook het vijandig optreden tegen de zionisten op deze zijde. — De tegenstanders op de andere zijde laten zich door geheel andere motieven leiden.
Zij bezitten moed genoeg, om zelfs tegenover de woedende Jodenhaters hun idealen te bekennen en te verkondigen. Onverschrokkene, waardige nakomelingen der glorierijke martelaars in vroeger eeuwen, zouden zij zeker met liefde en offervaardigheid medewerken tot verwezenlijking van een der vurigste wensen onzer oude voorgeslachten, zouden zij zeker opstaan en den knaap nemen, hem ijverig met hun handen steunen. Maar zij aarzelen, evenals de engelen, toen hun de opdracht in de woestijn te Ber-Seba werd gegeven, tot redding van den weggeworpen knaap, eene taak te aanvaarden, die voor het Jodendom heillooze gevolgen kon hebben. Wie toch — zoo vragen zij — is de knaap, wie zijn de mannen, die als redders en beschermers onzer ongelukkige broeders, als stichters en herbouwers der heilige oorden optreden. Wat rechtigt hen, zich aan het hoofd des
108