En wat is de maatschappelijke Emancipatie van de Jood anders dan de be vrij ding van de maatschappij van het Jodendom? Zodra het de maatschappij is gelukt het empirische wezen van het Jodendom op te heffen, de sjacher en zijn basis, is de Jood onmogelijk geworden.” Wij zullen Marx in zijn scherpzinnige dialectiek niet uitvoerig volgen zoals door Jos. Loopuit te onzent verschillende malen is geschied. Het is trouwens niet alleen in ,,Zur Judenfrage”, dat Marx zich over de zijnen heeft geuit. Ook in Die Heilige Familie en in vele anonieme artikelen komen dezelfde denkbeelden voor, dikwijls in zeer weinig gelouterde vormen. Het zegt daarenboven iets, dat Karl in zijn particuliere correspondentie met Engels zo het een en ander ten beste geeft, dat ons stotend in de oren klinkt. Uitdrukkingen als „der verfluchte Jude” of (typerend in het kader van zijn economische opvattingen) „Jud Süss” geven te denken.
In het Marxisme wordt dus — om het nog eens kort te formuleren — Jodendom ge-identificeerd met kapitalisme; Jood met woekerjood (alias kapitalist).
Dat het Marxisme in zijn these kapitalist = Jood de burgerlijke traditie van de woekerjood tot nieuw leven wist te wekken, zullen we Marxistisch gezien maar als een dialectische grap van Kleio beschouwen; de gevolgen waren er niet minder ernstig om, ook in Nederland. Er ontstond een kloof tussen de Joodse bourgeois (in casu de Zionistische) en de proletariër. En wat in de gewone wereld antisemitisme heet, werd in de Joodse tot de zo verfoeilijke „zelfhaat”. Juist in Nederland, waar de theoretische fundering van het Socialisme ernstig ter hand werd genomen, wonnen de genoemde denkbeelden veel meer aan invloed dan tegenwoordig nog wel eens wordt gesuggereerd.
Hoe diep deze identificatie van de bourgeois met woekerjood doorvrat, blijke uit een anecdote uit de begintijd van de A.N.D.B., toen tijdens een discussie tussen een delegatie van de Bond met Henri Polak aan het hoofd en de voorzitter der Juweliersvereniging, een niet-Joods lid van de A.N.D.B. plotseling tegen zijn Joodse collega’s uitviel: „Ach mannen, die juwelier is en blijft Jood”. Men weet niet, waarover men zich hier meer moet verwonderen, over de natuurlijke identificatie Jood-juwelier, of over de in het brein van de klassenstrijder blijkbaar ondenkbare identificatie mede-proletariër = Jood.
Hevig waren de ressentimenten, die de Joodse arbeiders tegen hun burgerlijke soortgenoten koesterden. Ressentimenten, die zich uiteindelijk bekoelden op de maatschappelijke en geestelijke structuur van hun vroegere status: het Ghetto en de Orthodoxie. Het Ghetto, dat zelfs een speciale literatuursoort te voorschijn riep, waarvan wij Diamantstad van Herman Heijermans nog steeds het standaardtype achten; niet het minst omdat het in grote stijl waarachtige innerlijke worsteling aangeeft, die de schrijver in Joods opzicht volledig beheerst. Welk een hevige dialectische problematiek! De strijd van de diamantbewerkers in de romantische periode is vol van rancune op de Joodse bourgeois. Eleazer, de held van het verhaal, predikt een socialisme dat anticlericaal is gekleurd. Anti-Joods en theoretisch voorstander van het gemengde huwelijk, wordt deze echter verliefd op een Joods pauperkind, dat in vrije liefde leeft met haar broer en de solidariteit met deze pauper wint het uiteindelijk van het theoretische gemengde huwelijk. Aldus zegeviert naar Heijermans’ vroege historisch-materialistische opvattingen bloedschande boven vermenging. Maar dat is dan ook de enige positieve band met het bloed, die hij ons heeft te bieden.
Hoe burgerlijk antisemitisch is reeds „Ghetto”, waarin Rose, het christenmeisje, de zedig
105