XXXV.
IN DRIJFZAND.
’t Is of ik dolend in October#geel
En bruin, al arbeid aan mijn „Herfst#
Gepeinzen”,
Nu ’k nog voor „Z o m e r#R o z e n’ t’rug moet
deinzen,
Waarin ’k — hoop ik — als nachtegaal eens kweel.
’k Schrijf over ’t schrijven — merk ik — reeds te veel,
Want k zie d’Armoe van Geest steeds om mij
grijnzen,
Niet zooals Shakespeare — k wil dat niet
ontveinzen —,
Die het Tooneel soms bracht op het Tooneel.
Hoe meer ik zoek, hoe meer k de stof voel slinken.
Hoe meer ik me’ als in drijfzand weg voel zinken.
Of zou, wat ’k als verlamming meen te’ ontwaren,
Die worsteling juist zijn, maar onbewust,
Die mij — als vroeger groote kunstenaren —
Voert (naar de hel!) naar harmonie, de Rust?
131