XXXIV.
LIEFDE.PROZA.
Mijn Muze heeft als mijn Sheherazade Mij niet met sprookjes Nacht op Nacht bekoord, ’k Bracht haar als d’Italiaan geen serenade En k wijdde haar nog geen sterk verzemsoort. ’k Vocht niet voor haar als held der Iliade,
Als Floris, dien een Blanchefleur behoort. Neen: in de tram door grijze regenwade Sjok ik met burgerhuwelijks*plannen voort.
Met hoogen hoed maak ik dra met mijn meisje Visites, dan de bruiloft, dan het reisje,
Dan d’ernst des levens, dan op mooie dagen Ga k met haar wandelen naast de kinderwagen ... (En dan: de huiselijkeshaardspoëet! —
Zóó trouwen ?!... N een, haast liever nog askeet!)
130