MANESCHIJN.
XXXVI.
De volle maan bevloeit fulpsblauw de lanen, De boomenswallen van het park, de weiden, Door vijverkom — star als agaat — gescheiden. In sprookjesgloed drijft tot mij een der zwanen. Plots door den dauw zie k open waterbanen, Waarop hij zeewaarts met mij voort zal snijden Naar Montsalvat. Hij doet me’ als schim verglijden In nevel over zilveren oceanen,
De wereld als Graahïempelier ontkomen ... (Die zoeken deze, ook occult, in droomen. Maar de bourgeois blijft naar dien vorm
slechts vragen Der Romantiek en die kan hem niet dragen Naar rust als die van de Pythagoreeën. *) — Legendel ... Maanlicht!... Over verre zeeën ...?
132