XXXIII.
DE LITTERAIRE REVOLUTIE.
Ik hoorde’ in droom gezoem van bijenzwermen En ’k zag de heele Kosmos*groep beducht Voor dezen, radeloos, op enkele bermen Voor een ontzaggelijke vloed gevlucht.
Maar voor ik van benauwdheid nog kon kermen, Ontwaakte’ ik en begreep toen hun gerucht, Want gonzend langs mijn venster op vier schermen Laveerde’ een vliegmachine door de lucht.
Ben ik voor revolutiesdrang geweken In dien droom? ... (Ja . . . Door radiografie En luchtvaart zinken heele bibliotheken Van kunst plots met dit kroost der Bourgeoisie In zondvloed, d’aethergolf hier aangestreken. *) En bang daast Piet:) „Nu faalt d’astrologie.”
129