XXXII.
WERELDSTROOM.
(Thans haar steeds nader per aëroplaan Zie ’k Amsterdam in voorstad zich verkeeren Van la VillesLumière en ’k voel aan —
Gelijk één aura in hun beider sferen —
Eén aethervloed op hun meridiaan,
Wiens kracht steeds in deez’ Eeuw zich zal
vermeeren
En ’t leven in één rhytme er doet slaan,
Als die van China nu hier aan komt scheren Na duizend jaar *) — Nu mijn vennoot aan ’t
woord:)
In ’t ijlen der voertuigen, voortgedreven De bruggen over door sneeuwblanke stoom Van booten, zwoegend op den Amstelstroom, Voel ’k bij hun jacht een koortsig geestesleven Om mij ... verward ... occult... (Ja ... En zoo
voort 1)
128