XXXI.
HET HAVENLICHT.
Wanneer het laatste zongoud is geslonken, Verterend aan een lagen wolkenrand,
Wordt, waar eens verre scheepslantarens blonken, Die nooit meer nad’ren, een rood licht ontbrand, Dat naar verwaasde kim in vroom, trouw vonken Door Eeuw op Eeuw zijn blik begeerig spant, Opdat weer kielen nieuwe schatten schonken Aan Veere’s haven, die langzaam verzandt.
Zoo blijft mijn oog naar de galjoenen staren Uit vroeger tijden aan het havenhoofd Als verzen, die op breede rhytmen varen En aan wier komst ik steeds nog heb geloofd (d’Eskaders dagen slechts als geestemscharen, Tot ook die vuurschijn op de kade dooft.)
127