XVI.
HET MEER DER VERGETELHEID.
(Nog Mooier!)
De Naarderplas kaatste’ onder flonkersvonken En warrebwem’len in de broebzon, heet, Augustusdicht, waar 'k lag in droom verzonken En saam (maar raak!) mijn woorden heb gesmeed Met koppelteekens trouw aaneen geklonken. (Als Morseseinen van and’re planeet,
Of hem Mars?wezens zóó bezieling schonken.) Maar ’k krijg zoo toch nooit dit sonnet gereed, Want ’t komt niet uit!... En ’k zag de wolken
stijgen
Gelijk kozakken, wit, — met dommen lach, Reusachtig groot, rondom het meer mij dreigen En bij het nad’ren van een Wereld*Krach De heele Kosmos aan hun lansen rijgen Met de redactie en mij ook! ....
(Ach, ach!)
112