XVII.
GEESTELIJK IMPERIALISME.
Als and’re volken ook maar Hollandsch spraken, Zoodat men ons in ’t buitenland verstond,
Dan kon mijn werk de grenzen over raken Of als ik hiervoor maar vertalers vond.
Dan werd de taal den vreemdelinge’ een baken, Die hun het licht onzer cultuur toezond.
Maar ’k heb geen trek mij daarvoor druk te maken, Naar naam te jagen heel de wereld rond.
En ’k ben te schuchter bij hen heil te zoeken, Laat ons als grens maar Groninge’ en Maastricht. Knus samen zijn ligt méér in onze aard.
Wat gaat ons d’Aardbol aan? —
k Lees uit mijn boeken Mijn vrienden liever voor, zacht bij het licht Van ’t lampje, in het hoekje van den haard.
113